Hond likt gezicht

Monden likken bij mensen

Honden likken, als ze de kans krijgen, vaak de gezichten en bij voorkeur de mond van mensen met wie ze in een gezin samenleven, zoals de eigenaar. Ze doen dat vooral nadat die persoon een tijdje is weggeweest, al zijn er ook honden die het gedrag vertonen nadat de eigenaar maar enkele minuten de kamer uit is geweest. Het is een van de belangrijkste redenen, zo liet onderzoek van Rezac et al. (2017) zien, waarom honden bij thuiskomst van gezinsleden vaak opspringen tegen hun eigenaren: ze willen graag bij die mond komen. Daarbij hebben ze hun oren plat in de nek, zachte ogen en vertonen ze meestal een brede zwabberkwispel. Maar ook wanneer je in een ontspannen situatie je gezicht vlak bij je eigen hond houdt, terwijl je hem zachtjes aait zal hij in veel gevallen zachtjes je mond (willen) likken. Als dat altijd verboden is, omdat men het vies vindt, dan zie je dat een hond dat vaak wat ongecontroleerd in de gauwigheid doet, áls hij het doet.

De meeste eigenaars zullen desgevraagd zeggen dat hun hond blij is om ze te zien en zijn affectie toont. Onderzoekers die gedrag vanuit de neuropsychologie of -fysiologie bestuderen, zoals bijvoorbeeld Panksepp (Panksepp & Biven, 2013), Romero et al. (2014), en Odendaal en Mijntjes (2003), zullen die eigenaars waarschijnlijk gelijk geven. Panksepp benadrukte dat bij zacht, verzorgend likken het CARE hersensysteem actief is. Dieren uiten daarmee hun affectie – Panksepp aarzelt niet het woord (verzorgende) liefde in de mond te nemen – voor andere dieren waarmee ze een band hebben. Hij stelde ook duidelijk dat deze affectie zich niet noodzakelijkerwijs beperkt tot dieren van dezelfde soort. Dat een hond zijn affectie kan tonen aan de mensen waarmee hij samenleeft, is dus niet verbazingwekkend. Odendaal en Mijntjes lieten overtuigend zien dat allerlei stofjes die een rol spelen bij de uitwisseling van affiliatief en verzorgend gedrag, zoals endogene opioïden, oxytocine en prolactine, bij zowel mens als hond toenemen als een hond zachtjes wordt geaaid en liefkozend wordt toegesproken. En ook onderzoek van Romero et al. laat zien dat likken in zo’n situatie een uiting is van affectie voor en gehechtheid aan een sociale partner (mens of hond), die kan worden beïnvloed door de toediening van oxytocine.

Jammer is dan ook dat onderzoeken uit de ethologische hoek waarin het likken van monden van mensen ter sprake komt – zoals recentelijk Rezac et al. – volledig voorbij gaan aan de mogelijkheid dat het bij het likken van een mond van een sociale partner of bekende (hond of mens) om de uiting van een gevoel van affectie gaat. Zij beschouwen het wel als een sociale begroeting, maar zoeken de verklaring voor het likken in het ‘bedelen om voedsel’ analoog aan het gedrag dat wolvenpups vertonen om oudere dieren voedsel uit te laten braken; of beschouwen het als een – hiervan afgeleid – teken van ‘actieve submissie’ in een stabiele rangordeverhouding.

Dergelijke visies gaan terug op ethologische modellen die vlak voor de Tweede Wereldoorlog zijn voortgesproten uit gedachtengoed van de ‘vaders van de ethologie’, Konrad Lorenz en Niko Tinbergen. Deze hadden een tamelijk statisch, mechanistisch beeld van diergedrag. Dieren handelden volgens hen vanuit hun aangeboren instinct zonder daarbij bewust na te denken. Zeggen dat dieren vanuit wisselende, met mensen vergelijkbare emoties iets zouden doen was antropomorfiseren. Dat was uiterst verwerpelijk en dat deed je dus niet als je als wetenschapper gerespecteerd wilde worden. Lorenz had de pest aan psychologen die huisdieren aan onderzoeken onderwierpen omdat hun gedrag misschien licht op menselijke gedragingen kon werpen. Hij beschouwde huisdieren als gedegenereerde wezens, net zoals overigens sommige mensenrassen. Voor het ware, natuurlijke gedrag, moest je kijken naar de wilde ‘oervorm’: de wolf, in het geval van de hond. Hierdoor grijpt nog steeds veel onderzoek dat op gedragsobservaties van honden berust, direct of indirect terug op de publicaties en terminologie van de – door Lorenz en Tinbergen geïnspireerde – Zwitserse onderzoeker Schenkel, die tussen 1937 in 1947 het gedrag van tien wolven in de dierentuin van Bazel observeerde. Hij beschouwde monden likken als ‘actieve submissie’, waarbij het bedelgedrag van pups was getransformeerd en geritualiseerd was tot een sociaal gedrag waarmee een ranglager dier actief ‘bedelde’ om de tolerantie en positieve sociale acceptatie door een ranghogere.

Tekst: Elian Hattinga van ‘t Sant.

Deel bericht

Share on facebook
Share on print
Share on email