Castratie-1

Castratie, niet alleen maar voordelen

Castratie, de meningen lopen uiteen en de visie erover is de laatste jaren nogal veranderd. Niet alleen op gedragsmatig gebied maar ook medisch. De bekende Amerikaanse gedragsdierenarts Karen Overall over castratie.

Redenen voor castratie

Castratie is het wegnemen van de organen die geslachtshormonen produceren, wat onvruchtbaarheid van de hond tot gevolg heeft. Wat we in het geval van teefjes meestal ‘sterilisatie’ noemen is in feite ook castratie. Castratie wordt bij ons in Nederland in het geval van teven het meest ingezet om het ongemak van de loopsheid voor mens en dier te voorkomen, en om melkkliertumoren en baarmoederontsteking op latere leeftijd te voorkomen. Bij reuen gaat het vaker om als hinderlijk ervaren gedrag: bestijgen (‘rijden’) van andere honden en soms ook mensen, weglopen, overal snuffelen en plassen, en agressie, in het bijzonder naar andere reuen. Karen Overall bespreekt de effecten van castratie op gedrag, maar neemt daarbij de potentieel onwenselijke bijeffecten op de gezondheid ook onder de loep.

Wetenschappelijk onderzoek castratie

Er zijn al veel onderzoeken gedaan naar de effecten van castratie op het gedrag van honden. Ondanks alle beschikbare onderzoeksresultaten is het niet zo gemakkelijk om een antwoord te krijgen op de vraag: doe ik er goed aan om mijn reu dan wel teef te castreren? En op welke leeftijd dan? Dat er geen algemeen geldend antwoord op deze vraag te geven is komt omdat er heel veel factoren meespelen en omdat je in een onderzoek nooit alle factoren mee kunt nemen. En als je onderzoek doet bij een veel voorkomend ras zoals Golden Retrievers, betekenen de uitkomsten niet altijd dat ze voor alle hondenrassen gelden. Neem je alle hondenrassen en rasloze honden in je onderzoek op dan zijn de individuele verschillen weer zo groot dat die de uitkomsten vertekenen. Stel dat je onderzoekt of vroege castratie leidt tot meer heupdysplasie – dat is onderzocht, en vastgesteld bij Golden Retrieverreuen – dan zou je in een onderzoek bij alle hondentypes er rekening mee moeten houden dat kleine honden veel minder vaak HD hebben dan grote. Dus zou je van elk type hond een hele groep in het onderzoek moeten betrekken, kortom: dan wordt het onuitvoerbaar of nietszeggend. Vanwege al deze mitsen en maren moet je dus voorzichtig zijn met het trekken van harde conclusies uit het onderzoek naar de effecten van castratie – dat zeggen onderzoekers zelf ook – maar de resultaten geven wel een bepaalde richting aan.

Effect van castratie op gedrag

Castratie verandert de hormoonhuishouding. Naast hormonen spelen leren en socialisatie altijd ook een rol bij het gedrag dat je met castratie beïnvloedt. Dat maakt onderzoek moeilijker, geen twee honden hebben dezelfde leerervaring, dus vergelijken hoe gecastreerde en ongecastreerde honden zich gedragen is niet wetenschappelijk uitvoerbaar. In de praktijk kijken we vooral naar individuele gevallen: van hoe een hond zich gedraagt voor en na (chemische of feitelijke) castratie.

Hoewel je dus niet met de wetenschap in de hand eenduidig kunt zeggen: in dit geval wel castreren en in dat geval niet, zijn er wel bevindingen waar je op een zinvolle manier een afweging op kunt baseren. Karen Overall noemt enkele belangrijke:

      • Testosteron, het mannelijke geslachtshormoon, kun je het best zien als een invloedsfactor op het gedrag van een hond die agressie gemakkelijker laat escaleren. Een ongecastreerde reu kan gemakkelijker reactief zijn, elke reactie kan sneller hoog oplopen, de intensiteit kan langzamer afzakken en mogelijk wordt het basisniveau van reactiviteit blijvend hoger dan een gecastreerde. Het effect van leren en sociale situatie moet hierbij altijd in beschouwing genomen worden.

        Zo kan het dus zijn dat dezelfde hond in het ene geval gerust ongecastreerd rond kan lopen (vanuit het gedrag bezien) maar in het andere geval misschien maar beter wel gecastreerd kan worden. Denk aan een adolescente reu van een ras dat als pittig bekend staat. Stel, deze hond is goed gesocialiseerd en hij heeft een ervaren, stabiele eigenaar die de hond goed heeft opgevoed, vriendelijk maar duidelijk grenzen stelt en deze ook handhaaft. Dan komt castratie om gedragsredenen niet zo snel aan de orde, want de kans dat deze hond toenemend agressief gedrag laat zien is klein: hij krijgt er geen gelegenheid voor. Maar stel dat dezelfde hond in een druk gezin opgroeit waar niemand hem grenzen stelt en hij weinig beweging krijgt. Het liefst zie je dat de eigenaars leren de hond wel grenzen te stellen en dat ze hem meer beweging geven, maar daarnaast kan castratie een middel zijn om het risico op gevaarlijke agressie in te perken: de reactiviteit is dan minder sterk en het loopt niet zo snel en niet zo hoog op. Als de hond al tekenen van agressie heeft laten zien, moet er dan wel gedragstherapie bij: de agressieve reactie kan al geconditioneerd zijn, en verdwijnt niet spontaan door castratie. Wie castratie vanwege agressie bij zijn reu overweegt moet overigens wel eerst goed uitzoeken of de agressie niet uit angst voortkomt (in plaats van uit de toename van testosteron). Testosteron is echter op nog veel meer niveaus van invloed, zo geeft het ook zelfvertrouwen: als je een angstige hond zijn testosteron afneemt, bestaat de kans dat hij (hierdoor direct of indirect) nog minder zelfverzekerd wordt! Het probleem wordt hier dus zeker niet door opgelost en mogelijk wordt het er erger van, aldus Overall.

      • Bij teven wordt castratie nooit ingezet om agressie te voorkomen of te doen afnemen: bij hen verdwijnt juist het vrouwelijk hormoon dat een remmend effect heeft op testosteron. In principe zou door castratie agressie bij teven dus kunnen toenemen (testosteron wordt minder geremd). Dit effect is alleen aangetoond bij teven die voor hun eerste jaar gecastreerd werden en die vóór de castratie al agressief gedrag lieten zien [2]. De leeftijd waarop gecastreerd wordt (al voor de puberteit of erna) heeft overigens geen effect op de mate waarin agressie geremd wordt[3], waarbij vroege castratie wel neveneffecten heeft (zie verderop).
      • De aanwezigheid van testosteron wordt in verband gebracht met urine markeren, sommige vormen van bestijgen (‘rijden’) en de neiging tot zwerven. Bestijgen gebeurt in allerlei, ook niet seksuele, contexten door beide geslachten. Volgens onderzoek van Hopkins e.a. uit 1976 (bij slechts 42 honden – de studie is helaas nooit herhaald en daarmee geverifieerd) nemen al deze gedragingen bij reuen af na castratie, evenals agressie tussen reuen onderling. Markeren, bestijgen en vechten zijn complexe sociale gedragingen die beslist niet alleen door hormonen bestuurd worden, er is zeker een leer- en ervaringscomponent.
      • Overall merkt hierbij op dat voor reuen die de kans hebben om op eigen houtje rond te zwerven om achter de teefjes aan te gaan, castratie voor hun eigen veiligheid een aanrader is: deze honden hebben een sterk verhoogde kans op een ongeluk als ze straten oversteken terwijl ze hun hormonen volgen.

Neveneffecten castreren op de gezondheid

Bij de keuze om een hond al dan niet vanwege het gedrag te castreren moeten de onbedoelde en soms negatieve effecten op de gezondheid van het dier ook meegewogen worden. Castratie vermindert de werking van de schildklier, daardoor gaan honden na castratie doorgaans meer eten en worden ze te dik tenzij hun baasje dit bewust voorkomt. De vacht van honden wordt na castratie dikker en gaat er soms anders uitzien; denk aan de pluizige vacht van cocker spaniels die ‘geholpen’ zijn. Jong gecastreerde honden groeien langer door, en er zijn aanwijzingen dat honden die gevoelig zijn voor botkanker een groter risico lopen na castratie[4]. Ook voor andere kankersoorten bestaan aanwijzingen dat castratie bij bepaalde hiervoor gevoelige rassen het risico verhoogt. Deze risico’s zijn volgens Overall tot nu toe niet echt onomstotelijk vastgesteld, dus het is moeilijk er conclusies aan te verbinden. Onzindelijkheid na vroege castratie is ook vaak waargenomen, de urinewegen ontwikkelen zich net als de geslachtsdelen onder invloed van hormonen en deze ontwikkeling is op jonge leeftijd nog niet voltooid.

De effecten van castratie, in het bijzonder van castratie op jonge leeftijd, op de gezondheid van de hond kunnen ingrijpend zijn voor de kwaliteit van leven van honden.

Overall noemt als voorbeeld het onderzoek van De la Riva GT e.a. (Plos One, 2013) onder een groot aantal Golden Retrievers. Uit dit onderzoek bleek dat vroege castratie (jonger dan 1 jaar) leidde tot vaker voorkomen van heupdysplasie, gescheurde kruisbanden en lymfeklierkanker bij reuen. Bij teven kwamen alleen meer gescheurde kruisbanden voor. In Amerika, waar (zeer) vroeg castreren de laatste twintig jaar gebruikelijk is, brachten deze uitkomsten een schok teweeg onder dierenartsen: zijn we al die tijd verkeerd bezig door eigenaars met klem aan te raden hun honden zo vroeg mogelijk te laten ‘helpen’?

Wat Overall betreft is vroege castratie, vóór de seksuele volwassenheid, eigenlijk alleen een ondubbelzinnige aanrader voor zwerfhonden. Daar leidt een beleid van ‘vangen, castreren en terugbrengen’ daadwerkelijk tot minder aangroei van de populatie zwerfhonden, aangezien onvruchtbaar gemaakte honden toch een stukje territorium bezet houden dat niet meer wordt ingenomen door honden die zich wel voortplanten. Dit probleem kennen we in Nederland niet of nauwelijks, maar in de V.S. leiden nog wel veel honden een triest bestaan door de ongeremde voortplanting van ‘ongewenste’ honden. Maar zelfs in het geval van zwerfhonden raadt Overall aan om als het enigszins kan te wachten tot de honden tenminste drie maanden oud zijn.

Zo bezien is de uit Australië en Amerika overgewaaide gewoonte om Labradoodles met negen of zelfs zeven weken al te castreren, op geen enkele manier te verdedigen als je de gezondheid van de individuele honden in acht neemt. Gelukkig geven de meeste Doodle fokkers de puppy’s inmiddels ongecastreerd mee, met een financiële prikkel of verplichting om de castratie wel uit te laten voeren voor de hond 18 maanden is. Het roept overigens verbazing op dat er dierenartsen bereid gevonden zijn om zonder medische noodzaak honden extreem vroeg te castreren. Overall verwerpt deze praktijk – en dat in een land waar vroege castratie heel veel gebruikelijker is dan bij ons.

Tot slot

Uit Overalls betoog komt een genuanceerd beeld naar voren waarbij castratie om gedragsredenen alleen in specifieke gevallen, waarin hormonen een duidelijke rol spelen in het gedrag, een zinvolle optie is. Ook geeft ze overwegingen om juist niet, of niet op jonge leeftijd, te castreren. Castratie heeft als belangrijkste reden: het voorkomen van ongewenste pups. Bij castratie om gedragsredenen moet altijd een afweging tussen voordelen en onbedoelde nadelen gemaakt worden.

Als je een angstige reu zijn testosteron afneemt, bestaat de kans dat hij (hierdoor direct of indirect) nog minder zelfverzekerd wordt

Tekst: Regine Voort. Foto’s: shutterstock

 
[1]Onderzoek van De la Riva GT e.a. (Plos One, 2013)
[2]O.a. eigen onderzoek van Overall, 1995.
[3]Zie o.a. James O’Heare, Agressive Behavior in Dogs, 2006.
[4]Ru et.al, 1998; Cooley et al., 2002

Deel bericht

Share on facebook
Share on print
Share on email