shutterstock_196432856

Zichzelf krabben

Wanneer een hond zich zit te krabben wordt dat gedragsmatig tot de ‘zelfverzorging’ (autogrooming) gerekend. Er zijn uiteraard tal van redenen waarom een hond dit kan gaan doen. Meestal gaat het om iets lichamelijks dat (de huid van) de hond irriteert zoals pijn of jeuk door een wondje, een vlooienbeet, een allergische reactie of een ontsteking; een klittenbolletje in de vacht of een tuigje of halsband die niet lekker zit. Jezelf krabben verlicht of verhelpt namelijk pijn, jeuk of ander ongemak. Er is echter ook een vorm van krabben die ethologen en hondentrainers al bijna een eeuw bezighoudt: het zichzelf ineens gaan zitten krabben terwijl er geen voor de hand liggende verklaring voor kan worden gegeven.

Dit niet-functionele gedrag werd – samen met een hele reeks andere van dergelijke gedragingen – dankzij de gezaghebbende etholoog Tinbergen geleidelijk in brede kring van hondenbezitters bekend als ‘overspronggedrag’. Tinbergen beschouwde het jezelf zomaar gaan zitten krabben – zelfs bij de mens – als een aangeboren, instinctief gedrag. De meest gangbare opvatting bij biologen in de jaren veertig van de vorige eeuw was dat er bij ‘oversprong’ sprake was van een motivationeel conflict tussen de drang om aan te vallen en de drang om te vluchten, waardoor een dier blokkeerde en het gedrag als het ware oversprong op een heel ander spoor. Tinbergen maakte daar echter de nodige kanttekeningen bij. Hij constateerde dat er in sommige situaties niet zozeer sprake was van een intern motivationeel conflict, maar van het door omstandigheden (nog) niet tot uiting kunnen komen van een bepaalde heftige drang, zoals bijvoorbeeld de drang om te paren terwijl de potentiële partner daarvoor geen uitnodigend signaal had gegeven. Ook wees hij er op dat overspronggedrag in sommige(!) gevallen een communicatieve ‘signaalfunctie’ had.

Dit laatste is terug te vinden bij de sinds de jaren negentig populair geworden ‘kalmerende signalen’ van hondentrainster Turid Rugaas. Ook zij maakte aanvankelijk een (onduidelijk) onderscheid tussen gedragingen waarmee de hond zichzelf tot rust brengt (‘kalmeert’) en gedragingen waarmee hij het als bedreigend of te heftig ervaren gedrag van andere honden probeert te remmen (‘kalmeert’). De nadruk lag en ligt echter vooral op de communicatieve signaalfunctie: het ‘kalmeren’ van het gedrag van anderen. Of het zichzelf gaan zitten krabben ook daadwerkelijk andere dieren kalmeert, is voorlopig echter onduidelijk: in een van de weinige studies naar de functie van kalmerende signalen bij sociale interactie tussen honden is ‘krabben’ niet onderzocht (Mariti et al. 2017).

Door popularisering – iedere geschoolde hondenbezitter weet wel een rijtje overspronggedragingen, dan wel kalmerende signalen op te lepelen – raakt een kritisch en genuanceerd kijken naar de context wel eens zoek. Bovendien is het gedrag met name door de terminologie ‘kalmerend’ terecht gekomen in de hoek van (negatief) stresssignaal: de hond ervaart de situatie als onplezierig of ongemakkelijk. Een dergelijke aanname is echter te kort door de bocht.

Het niet-functionele zichzelf ineens gaan zitten krabben is helaas nooit als een op zichzelf staand fenomeen bij honden onderzocht, maar altijd als een onderdeeltje van een rijtje gedragingen waarvan verondersteld wordt of vastgesteld is dat ze wijzen op negatieve stress. In die onderzoeken komt het zichzelf krabben echter niet als een opvallend kenmerk naar voren op het moment dat de hond zelf blootgesteld wordt aan stressoren.

Bij andere diersoorten, met name apen, wordt het zichzelf krabben vaak waargenomen in situaties waarbij een ander lid van de groep in een potentieel gevaarlijke situatie terecht komt. Ook wordt het zichzelf krabben bij apen vaak waargenomen nadat er binnen de groep een conflict is geweest. Verklaringen hiervoor worden gezocht in het ervaren van onbehagen of spanning in of na een stressvolle situatie waarover het dier zelf weinig of geen controle kan uitoefenen. In lijn met Tinbergens observaties zijn ook onderzoeken bij ratten en apen waarbij seksueel opgewonden dieren die door omstandigheden niet kunnen paren, zichzelf gaan zitten krabben.

In meer recent neuropsychologisch onderzoek wordt gesteld dat dergelijke adjunctive behaviors of overspronggedragingen, gevolg zijn van een emotionele-motivationele overprikkeling (volgens Panksepp van het SEEKING-hersensysteem dat enthousiasme genereert). Men veronderstelt dat deze niet-functionele gedragingen bijdragen tot een herstel van het emotionele en fysiologische evenwicht (‘homeostase’) nadat iets grote opwinding, spanning of enthousiasme heeft opgewekt. Dus, zo men wil, kalmering van zichzelf (en niet van anderen).

Tekst: Elian Hattinga van ’t Sant. Foto: Shutterstock

Deel bericht

Share on facebook
Share on print
Share on email
Bekijk ook