Labrador Retriever

Historisch portret: Labrador Retriever

In oude geschriften, documenten en boeken of op prenten en schilderijen is de geschiedenis van honden vastgelegd. En ook het werk dat ze doen. Meegaan op jacht, het drijven en hoeden van een kudde, het bewaken van huis en haard en het gezelschap houden van de mens. Elke maand gunt ONZE HOND de lezer een inkijkje in de rijke historie van een rashond.

  • Herkomst: Newfoundland
  • Levensverwachting: 10 tot 14 jaar
  • Karakter: Intelligent, Aardig, Evenwichtig, Extravert, Behendig, Vertrouwend, Zachtaardig
  • Gewicht: reu: 29–36 kg, teef: 25–32 kg
  • Hoogte: reu: 57–62 cm, teef: 55–60 cm
  • Kleuren: Zwart, Chocoladebruin, Geel

De veronderstelling dat de Labrador Retriever zijn naam dankt aan een Canadees schiereiland is niet helemaal juist. Hij dankt zijn naam aan de Portugese ontdekkingsreiziger João Fernandes Lavrador (1453-ca. 1501), die dit gebied aan het einde van de vijftiende eeuw bezoekt. De oorspronkelijke bewoners zijn dan Inuit en Innu – Eskimo’s en Indianen. 

Jagers in Groot-Brittannië gaan zich, vanaf de negentiende eeuw, de luxe permitteren om voor elk onderdeel van de jacht een aparte jachthond te willen gebruiken. Het begrip ‘retriever’ dateert van lang daarvoor, want iedere hond die bij de jacht de buit vindt en terugbrengt bij de jager wordt dan een retriever genoemd. Van oudsher zijn ‘opzoeken’ en ‘terugbrengen’ dus niet aan één ras te koppelen; deze vaardigheden kunnen immers aan veel meer honden worden aangeleerd. De enige eisen zijn een goede neus, zwemtechniek en een ondervacht die goed isoleert.

Water dogs

In 1822 doorkruist de op Newfoundland geboren William Cormack (1796-1868) te voet zijn geboortestreek. Aan de kust vallen hem de kleine ‘Water Dogs’ op, die hij als volgt beschrijft: De honden waren opmerkelijk getraind als retrievers bij het vangen van vogels en waren ook anderszins nuttig. De glad- of kortharige hond wordt voortgetrokken, want bij koud weer wordt de langharige hond gehinderd door het ijs dat zich in zijn vacht vormt zodra hij uit het water komt.

Min of meer gelijktijdig vaart de Engelse luitenant-kolonel Peter Hawker (1786-1853) regelmatig met zijn schoener tussen de Engelse vissershaven Poole en Newfoundland. Aan hem danken we de eerste nauwkeurige en uitvoerige beschrijving van de honden die hij op Newfoundland – een eiland ten zuiden van Labrador – tegenkomt. Hawker onderscheidt twee types: de grote Newfoundlander en de kleine ‘Labrador Dog’, die ook St. Johns (Water) Dog wordt genoemd. (St. John is de hoofdstad van de huidige provincie Newfoundland en Labrador.) De lokale vissers hebben de honden getraind om de vissen die aan het net zijn ontkomen, uit het ijs of het water te apporteren. Ook aangeschoten zeevogels worden door de ‘Labrador Dog’ aan land gebracht.

In zijn boek Instructions to Young Sportsmen in all that relates to Guns and Shooting (1814) beschrijft Hawker deze apporterende hond als volgt: Hij is gewoonlijk zwart en niet groter dan een Pointer, heeft fijn bone, kort glad haar, draagt zijn staart niet zo gekruld als de andere (honden) en is extreem levendig. Hij rent en zwemt en is stoutmoedig. Voor het zoeken naar gewond wild bestaat er geen beter ras.

Auteurs van naam, zoals de Engelsman

Vero Shaw en de Duitsers Richard Strebel en Ludwig Beckmann, noemen in hun boeken – die verschijnen tussen 1881 en 1905 – slechts een Wavy-coated en Curly-coated Retriever; zij kennen de kortharige of stokharige Labrador Retriever hoogstwaarschijnlijk (nog) niet. Dat geldt ook voor Jean Bungartz, die in 1884 in zijn boek ‘Kynos’ twee retrievers afbeeldt, een met golvend haar en een met kroeshaar, die hij allebei ‘Apportirhund’ noemt.

The Kennel Club weigert echter om de gele Labrador als apart ras te beschouwen

‘Rich and famous’

We zijn er zeker van dat kolonel Peter Hawker honden uit Newfoundland en Labrador meeneemt naar Engeland. Daar komt de stokharige Labrador Dog in handen van James Edward Harris, 2nd Earl of Malmesbury (1778-1841). Malmesbury is een groot liefhebber van de jacht en start zijn fokkerij met de honden die Peter Hawker meebrengt. Van zijn zoon, James Harris, de 3rd Earl of Malmesbury (1807-1889), weten we dat ook hij honden uit Labrador laat komen.      

Het is min of meer zeker dat ook anderen, zoals C.J. Radclyffe, Montagu Guest en Lord Wimborne, tussen 1865 en 1875 een groot aantal ‘Black Water Dogs’ bezitten, eveneens afkomstig van Hawker. De Duke of Buccleuch neemt in 1839 zijn Labrador ‘Moss’ mee naar een jachtpartij in Italië. Hij wordt vergezeld door Lord Home, die zijn hond ‘Drake’ – van hetzelfde type – meeneemt. 1839 is meteen het jaar waarin voor het eerst de naam ‘Labrador Retriever’ wordt gebruikt.

Net als veel andere jachthonden, is ook de Labrador in de negentiende en twintigste eeuw in het bezit van de ‘rich and famous’. Behalve de (2de en 3de) Earl of Malmesbury en de (5de en 6de ) Duke of Buccleuch, zijn ook Lord John Scott en de (10de en 11de) Earl of Home liefhebbers van de Labrador. En – heel belangrijk – zij houden stamboeken van hun fokkerij bij.

Labrador Retriever
Joséphine Coffin-Chevallier (1825-1874), maîtresse en later echtgenote van de puissant rijke John Bowes, is de eerste vrouw die een eigen museum en een kunstgalerie sticht. Dit schilderij is gemaakt door Antoine Dury als Joséphine 25 jaar is (1850). De hond – zonder twijfel een vroeg type Labrador – heet Bernardine.

Raszuiver

In 1885 komt de import vanuit Labrador en Newfoundland plotseling tot stilstand. Om de schapenfokkerij daar te bevorderen, treedt een nieuwe wet in werking, die het houden van honden nagenoeg onmogelijk maakt. In 1895 wordt in Engeland de quarantainewet ingevoerd en beide maatregelen betekenen het einde van de import van honden. Achteraf bekeken hebben deze maatregelen de fokkers in Engeland gedwongen om raszuiver te gaan fokken.

Een belangrijke fokker in het einde van de negentiende eeuw is Arthur Holland-Hibbert, 3rd Viscount Knutsford (1855-1935). Hij begint in 1884 zijn fokkerij met de ‘Munden’ Labradors. Knutsfords stamteef ‘Sibyl’ gaat, via de reu ‘Kielder’, direct terug op importen uit Newfoundland en Labrador. Knutsford is de eerste die zijn honden laat registreren bij de in 1873 opgerichte Kennel Club. Dertig jaar later, in 1903, erkent The Kennel Club de Labrador Retriever als ‘zelfstandig’ ras.

Aan het einde van de negentiende eeuw zijn de Labrador fokkers in Engeland dus aangewezen op de eigen fokdieren. Bekende reuen uit die periode zijn ‘Tramp’ (1878) uit de Munden kennel, zijn zoon ‘Avon’(1885) en kleinzoon ‘Buccleuch Nith’.  ‘Avon’ is een cadeau van de Earl of Malmesbury aan de Duke of  Buccleuch; wie stambomen uit het einde van de negentiende eeuw bekijkt, ziet dat de adellijke heren elkaar niet alleen honden cadeau geven maar ook elkaars reuen gebruiken.

Berichten als zou een Pointer, Setter of Harrier zijn ingekruist worden door Viscount Knutsford in het tijdschrift ‘The Field’ in 1935 met klem tegengesproken. Mij lijkt het ook onwaarschijnlijk; op de vele oude foto’s van het ras is in het uiterlijk niets van een Pointer, Setter of Harrier invloed terug te vinden. Wel verschillen de Labradors uit de negentiende en twintigste eeuw van de huidige, die zwaarder van bone zijn en kortere snuiten hebben.

Adellijk tintje

De zogenoemde Otterstaart is een in het oog springend kenmerk van de Labrador. De staart is dik bij de aanzet en wordt smaller naar het einde. De Duke of Buccleuch en de 11de Earl of Home vinden deze staartvorm een absoluut noodzakelijk kenmerk van de raszuivere Labrador.

Het aantal inschrijvingen in het stamboek stijgt snel: in 1912 281, tien jaar later 916. In 2004 zijn deze aantallen fors hoger: 45.000; dat is meteen het hoogste aantal van alle rassen. In 1916 wordt de eerste rasvereniging opgericht, de Labrador Retriever Club, met als eerste voorzitter Arthur Holland-Hibbert, 3rd Viscount Knutsford. Lady Lorna, Countess Howe (‘Bangchory’) is de eerste secretaris van de rasvereniging en uit haar kennel komt de eerste ‘Dual Champion’: ‘Banchory Bolo’.

De oprichting van de eerste rasvereniging is meteen ook het jaar waarin The Kennel Club kruisingen tussen de retriever rassen niet meer registreert. In 1920 organiseert de club haar eerste field trial voor ‘raszuivere Labradors’.   

De club heeft een duidelijk beeld voor ogen: het fokken van raszuivere, sound Labradors, dan de bescherming van het type, dat zichzelf heeft bewezen uitstekend geschikt te zijn voor het werken. Voorts het aanmoedigen van field trials en shows en het veilig stellen van gekwalificeerde keurmeesters voor zowel de trials als de shows. Nog steeds heeft het ras een adellijk tintje want sinds 1948 heeft de club een ‘royal patronage’, eerst van Koning George VI en na hem van Koningin Elizabeth II. Koning George schrijft in de jaren twintig en dertig zijn Labradors in op Cruft’s, terwijl de Koningin regelmatig field trials bezoekt en gastvrouw is op de trials op Sandringham en Windsor.     

Labrador Retriever
Gwen Broadley (rechts) en Erica Jayes met 7 Labrador Retrievers, allemaal Show Champions.

Vooruitziende blik

Zijn de Labradors aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw overwegend zwart (de gele worden niet zelden na de geboorte gedood), de in 1897 geboren ‘Hyde Ben’ (of ‘Ben of Hyde’) van fokker Majoor C.E. Radclyffe (‘Zelstone’) is de eerste gele Labrador die door The Kennel Club wordt geregistreerd. Na de Eerste Wereldoorlog neemt de populariteit van de gele Labrador een grote vlucht en in 1924 (andere bronnen 1925) wordt de ‘Yellow Labrador Club’ opgericht. The Kennel Club weigert echter om de gele Labrador als apart ras te beschouwen en hebben daarmee een vooruitziende blik.

Nu kent de Labrador nog een derde kleurvariëteit: (chocolade) bruin, (destijds) door sommige fokkers met gepast afgrijzen bekeken maar het wordt een zeer geliefde kleur bij toekomstige eigenaren.        

Lang voordat het grote publiek kennismaakt met chocolade bruine Labradors, komen deze al voor, bijvoorbeeld in de stamboeken van de kennels ‘Malmesbury’, ‘Buccleuch’ en ‘Banchory’. Fokkers laten bruine pups echter niet altijd registreren. Men gaat ervan uit dat de eerste ‘choclates’ zijn geboren in 1892, in de kennels van de Duke of Buccleuch.    

Hoe populair de Labrador Retriever in Engeland is, blijkt uit de aantallen inschrijvingen bij The Kennel Club; in 2018 worden er 36.526 (!) geregistreerd.

Prestatie

Vanwege de mij toegemeten ruimte moeten we nu de overstap naar Nederland maken, maar niet nadat we een van de bekendste, zo niet dé bekendste Labrador kennel hebben genoemd: ‘Sandylands’ van Mrs Gwen Broadley (1906-1999). Haar kennelnaam wordt geregistreerd in 1931 en ‘Jerry of Sandylands’ (1929) is haar eerste kampioen. Door de jaren heen gebruikt Gwen Broadley weliswaar verschillende bloedlijnen maar die gaan altijd terug naar haar ‘Jerry’ en ‘Juno’ (1929; of Sandylands). De ‘Sandylands’ ster rijst snel en in de jaren dertig behalen ‘Jerry’, ‘Janice’ en ‘June’ hun kampioenstitel.

Vooral in de jaren na de Tweede Wereldoorlog is het lonely at the top voor de ‘Sandylands’ kennel. Als Gwen behoefte heeft aan nieuw bloed koopt ze in de jaren vijftig de legendarische Ch Sandylands Tweed of Blaircourt van de fokkers/eigenaren Mr en Mrs G. Cairns. Ze heeft niet alleen een goede hand van fokken, maar ook van kopen. In 1982 keurt Mrs Broadley (men mag haar slechts ‘Gwen’ noemen, nadat ze daar zelf om heeft gevraagd) voor het eerst op CC-niveau.

Na te hebben samengewerkt met onder anderen Lady Lorna, Countess Howe (‘Bangchory’) en Michael Withers (Engelse Springer Spaniels), stelt Gwen Broadley haar fokkerij veilig met Mr en Mrs Anthony en Erica Jayes. Laatstgenoemde is nu eigenaar van de kennel en het prefix ‘Sandylands’.

Vandaag – 2019 – bestaat de Sandylands kennel 88 jaar en dat op zich is al een prestatie van formaat.

Prioriteiten

Op de hondententoonstelling van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw in Rotterdam en Amsterdam, in 1874 en 1875, zijn al enkele ‘Retrievers’ ingeschreven. Net als in Engeland bestaat de naam ‘Labrador Retriever’ nog niet. Meer informatie dan dat het hier gaat om een ‘Engelsche hond voor waterwild’, is er niet. Pas vanaf 1893 worden retrievers in het programma vermeld. Echter, nog steeds zonder de aanduiding ‘Labrador’ en – net als in het land van herkomst – gaat het hier om Flatcoated en Wavycoated Retrievers – met een gladde vacht en een golvende vacht. Deze honden zijn voornamelijk in het bezit van jagers – werkende honden dus – en diens prioriteiten liggen niet bij het tentoonstellen.

De Koninklijke Nederlandsche Jachtvereeniging ‘Nimrod’ organiseert haar eerst Field Trail – veldwedstijd – in 1910 (andere bronnen melden 1909), locatie de Zandvoortse duinen. Een naam die direct in het oog springt aan het begin van de twintigste eeuw is die van Jonkheer W. Quarles van Ufford (‘van Varenhof’), niet alleen de mede-oprichter van de Nederlandse Retriever Club maar ook van de huidige rasvereniging, de Nederlandse Labrador Vereniging (NLV). In 1928 wint de Jonkheer met zijn Labrador reu ‘Jellicoe van Overveen’ een apporteerwedstrijd in Castricum. Vanwege het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de vijf jaar durende bezetting, komen eerst in de jaren vijftig (weer) nieuwe importen vanuit Engeland. Pas in het N(ederlandse) H(onden) S(tam) B(oek) van 1956 vinden we de nakomelingen van die importen. De eerste Labrador die in 1957 de definitieve kampioenstitel wint is de zwarte reu ‘Billy’.

Net als in Engeland zijn de eerste Labradors in Nederland veelal in het bezit van de adel. Behalve Jonkheer Quarles van Ufford houden ook Jonkheer Th. Roëll (‘van de Berenpan’) en Jonkheer W.A.L. Mock zich met het fokken van Labradors bezig. Een vierde naam uit de beginjaren zestig is die van mevrouw A. Sauer-van der Sluis (‘Sabo’), die in 1956 ‘Wendover Delilah’ importeert, in 1959 de reu ‘Brookville Rodleigh’ en in 1960 de teef ‘Wendover Meg’.

De vier hiervoor genoemde personen zijn in 1964 de oprichters van de NLV.

Groot succes

Aan het eind van de jaren zestig worden ‘Candlemas Oberon’ en ‘Sunnybrae Lochgowrae’ door mevrouw T. van Adrichem Boogaert-Kwint (‘Sunnyloch’) uit Engeland geïmporteerd. De combinatie van deze twee (1969) is een groot succes, want maar liefst vier nakomelingen behalen de Nederlandse Kampioenstitel: de reuen ‘Cedric’ en ‘Commander’ en de teven ‘Cider’ en ‘Cherry’. ‘Cedric’ behaalt driemaal achterelkaar de Winnertitel, in 1970, 1971 en 1972.

De in 1964 opgerichte rasvereniging is altijd, tot op de dag van vandaag, een promotor geweest van het werken met de Labrador en organiseert dagen waarop de honden op hun jachteigenschappen worden getest. Onder leiding van de Jachtproeven Commissie worden working testen, jachthondenproeven, jacht praktijkdagen en veldwedstrijden georganiseerd. In 1971 wordt de eerste Kampioenschapsclubmatch georganiseerd. Kampioen en beste van het ras wordt de teef  ‘Sabo’s Giant’, terwijl de reeds genoemde ‘Kamp. Candlemas Oberon’ het kampioenschap bij de reuen wint. ‘Cedric’ en ‘Giant’ vormen de ‘stamhonden’ van de kennel ‘Canis Frisiae’, eigendom van Anneke de Haas.

In de jaren tachtig en negentig groeit de belangstelling voor de Labrador explosief. Dat is ook het geval met de importen uit Engeland. Alle namen noemen is onmogelijk, er moet een keuze worden gemaakt. Onder andere honden uit de ‘Sandyland’s’, ‘Ballyduff’, ‘Balnova’, ‘Wetherlam’, ‘Ladyland’s’ en ‘Poolstead’ kennels komen het ras hier versterken en oefenen een behoorlijke invloed uit op de Nederlandse populatie.

Enorme vlucht

Slechts een klein aantal belangrijke Nederlandse kennels kan ik hier noemen uit de jaren voor de afgelopen eeuwwisseling: ‘Sunnyloch’, ‘Fairywood’s’, Fogel Hlara’, ‘Farbourne’, ‘Toplicht’ en ‘Withara’. De ‘van Marleans’ kennel mag zich een fokker van ‘dual purpose’ Labradors noemen. Zo wint ‘Rodger van Marleans’ in 1977 de Kampioenschapsclubmatch, terwijl ‘Anak-Mas van Marleans’ in 1985 de prestigieuze jaarlijkse Nimrod wedstrijd  – waaraan slechts een klein aantal vooraf geselecteerde jachthonden mogen meedoen – in 1985 wint.

Aan het begin van de eenentwintigste eeuw worden er jaarlijks tussen de vier- en vijfduizend Labradors in het NHSB ingeschreven, terwijl het aantal leden van de rasvereniging de zevenduizend aantikt. Qua populariteit staan de Labradors al jaren – wereldwijd – in de top tien.                        

In de jaren tachtig en negentig groeit de belangstelling voor de Labrador explosief

Een populair ras krijgt vrijwel altijd te maken met de zogenoemde lookalikes en/of een fokkerij zonder stamboom. Bij de Labradors heeft dat dan ook een enorme vlucht genomen. De Raad van Beheer op Kynologisch Gebied meldt … dat maar 20% van de Labradors die we op straat tegenkomen een officiële stamboom heeft. Dit soort verhoudingen maken het extra lastig, zo niet onmogelijk, om eventuele gebreken op te sporen en/of (gezondheids)maatregelen te nemen, vooral als dierenartsen niet registreren of het om een raszuivere Labrador gaat of niet.

Het ras heeft niet alleen te maken gekregen met een tweede bij de Raad van Beheer aangesloten rasvereniging – de Labrador Kring Nederland – maar ook met een populaire kruising, die van een Poedel met een Labrador. Oorspronkelijk gefokt door de Royal Guide Dogs Association of Australia, als hypoallergene geleidehond, heeft de Labradoodle snel carrière gemaakt als huishond.    

Tekst: Ria Hörter, foto: Eva-Maria Krämer

Alle pogingen zijn in het werk gesteld om namen van fotografen van foto’s te achterhalen. Dit is niet altijd gelukt. Wie rechten op afbeeldingen meent te hebben kan contact opnemen met de auteur. Dat geldt ook voor onjuistheden en/of noodzakelijke correcties: horter@tiscali.nl 

Deel bericht

Share on facebook
Share on print
Share on email
Bekijk ook