Boxer

Boxer

De Boxer is een betrekkelijk jong ras dat vorm kreeg aan het eind van de negentiende eeuw in Duitsland. Van een vecht- en slagershond heeft hij zich ontwikkeld tot een geliefde huishond, en een prettige metgezel voor zijn baas en diens gezin.

  • Herkomst: Duitsland, München
  • Levensverwachting: 10 tot 12 jaar
  • Karakter: Onbevreesd, Intelligent, Toegewijd, Energiek
  • Gewicht: Teef: 25–29 kg, reu: 27–32 kg
  • Hoogte: Teef: 53–60 cm, reu: 57–63 cm
  • Kleuren: Wit, Brindle, Lichtbruin
    Uitgebreide rasstandaard onderaan de tekst

In het kort

De Boxer is een atletisch gebouwde hond, evenwichtig en enthousiast die graag deel uit maakt van het gezin van zijn baas. Hij is energiek en sportief, en houdt van wat actie in zijn leven. Als hij onvoldoende mentale en fysieke uitdaging krijgt, kan hij ongewenst gedrag gaan vertonen, zoals slopen of graven. Met name in zijn pubertijd kan hij een ’ongeleid projectiel’ lijken, zo druk en aanwezig is hij dan. Bij een juiste aanpak is dit maar een fase.Hoewel hij de reputatie heeft om koppig en eigenzinnig te zijn, kan hij heel goed opgevoed worden tot een gezeglijke hond.

Herkomst

Men gaat ervan uit dat alle Molossers, de grote, zware honden met de brede koppen, oorspronkelijk afstammen van de Tibetaanse Mastiff. Op een gegeven moment zijn deze honden vanuit Griekenland in Rome terechtgekomen. In de tijd van de Romeinen gebruikte men Molossers voor verschillende taken. De grootste honden werden ingezet als waak- en legerhond. Om hen minder kwetsbaar te maken, ging men ertoe over hen aan oren en staart te couperen. Zo had de tegenstander letterlijk minder grip op de hond. Het wat kleinere, lichter gebouwde type Molosser werd vaak als jachthond gebruikt bij de jacht op beer en zwijn. Ook hier was het functioneel om de honden aan staart en oren te couperen om hen minder kwetsbaar te maken tijdens hun werk.

Toen er een betrekkelijk rustige en vreedzame tijd aanbrak, had men geen emplooi meer voor de oorlogshonden. Deze honden kon men echter ook heel goed gebruiken als bewakings- of verdedigingshond. Zij kregen dus een nieuwe functie.

Bullenbijters

De lichter gebouwde honden bleven werkzaam als jachthond voor de jacht op de beer, het wilde zwijn en het hert, waarbij ze als taak hadden het wild vast te houden tot de jager het kon doden. Men ging dit type honden in het middeleeuwse West-Europa ’Bullenbijters’ noemen. Er ontstonden twee typen Bullenbijters: de Danziger en de Brabantse Bullenbijter. De Brabantse Bullenbijter was wat kleiner en wendbaarder.

De Bullenbijters werden ingezet als slagershond. Ze kregen de taak om het vee op te drijven voor de markt. Ook moesten zij een stier kunnen ’fixeren’ door hem bij zijn neus te grijpen en zo vast te houden of naar de stal te slepen. Men zag graag honden met een terugliggende neus, die goed konden blijven ademen als zij de stier vast hadden. Een ondervoorbeet was ook gunstig voor dit werk, omdat honden met dergelijke gebitten betere grip bleken te hebben bij het vasthouden van de stier. Het kwam ook voor dat deze honden werden opgehitst tegen het vee. Men dacht in die tijd dat het vlees van een stier malser werd als hij eerst nog voor zijn leven gevochten had.

Boxer

Bullbaiting

Vanuit Engeland kwam er een populair volksvermaak overwaaien naar het vasteland. Bij dit fenomeen, dat ’bullbaiting’ werd genoemd, werden de honden ingezet tegen de stier. Men sloot weddenschappen af over de afloop. Mensen liepen echt uit voor dit schouwspel. Aan het begin van de achttiende eeuw werd dit volksvermaak bij wet verboden, al gebeurde het daarna nog wel in het geheim. Met de weddenschappen was immers veel geld gemoeid. De honden die geschikt waren moesten sterk, dapper en wendbaar zijn. De Brabantse Bullenbijter was daarin beter dan de Danziger, omdat hij wendbaarder was. De Danziger Bullenbijter miste snelheid en souplesse.

Naam

De Boxer is aan het eind van de negentiende eeuw ontstaan uit de Brabantse Bullenbijter. Daarnaast heeft ook de Engelse Bulldog een rol gespeeld bij de totstandkoming van het ras. We moeten ons daarbij realiseren dat de Bulldog er in die tijd heel anders uitzag dan hoe we hem tegenwoordig kennen.

Het is niet precies bekend hoe de Boxer aan zijn naam komt. Er zijn mensen die uitgaan van de veronderstelling dat hij zijn naam dankt aan zijn spelmethode, waarbij hij zijn voorpoten gebruikt zoals een menselijke bokser dat zou doen. Anderen beweren dat ’Boxl’ een gangbare benaming was voor de Brabantse Bullenbijter. Boxer zou hiervan een afgeleide zijn. Boxer was in de negentiende eeuw een veel voorkomende naam van een hond. Wellicht heeft het ras zijn naam te danken aan deze toenmalige populaire hondennaam. Het is in ieder geval bekend dat enkele van de stamouders van het ras ’Box’ of ’Boxer’ heetten. Wellicht is de rasnaam een eerbetoon geweest aan deze honden.

Ontwikkeling

De Duitser George Alt uit München paarde in 1887 Flora, een uit Frankrijk geïmporteerde gestroomde teef, met een lokale reu van onbekende afkomst die Boxer heette. Uit deze combinatie werd de geel-witte reu Lechner’s Box geboren, die werd gepaard met zijn moeder. Uit Flora en Lecher’s Box werd onder andere de teef Alt’s Schecken geboren. Schecken werd gepaard met de Bulldog Dr. Toneissen’s Tom en uit deze combinatie werd Mühlbauer’s Flocki geboren. Deze hond zou na het winnen van de eerste show in 1895 de eerste Boxer zijn die werd ingeschreven in het stamboek.

Flocki was de broer van de witte teef Blanka von Angertor, die samen met Piccolo von Angertor, de kleinzoon van Lechner’s Box, de teef Meta von der Passage kreeg. Deze voorname-lijk witte teef wordt beschouwd als de stammoeder van het Boxerras.

Rond 1890 begonnen drie Duitse mannen, Friedrich Robert, Elard König, en R. Hopner met het gericht fokken van een hond die geschikt was voor de aanval evenals voor de verdediging. Het moest een hond zijn met een groot uithoudingsvermogen, die wendbaar en snel kon zijn en een groot springvermogen had.

De ’Deutscher Boxer Klub’ werd in 1896 opgericht. Een jaar eerder verschenen de eerste Boxers al in München op een tentoonstelling voor Sint Bernards waar een speciale Boxerklasse was. In 1905 werd de rasstandaard aangenomen.

Stockmann

Friederun en Philip Stockmann speelden een belangrijke rol aan het begin van de twintigste eeuw. In 1911 kochten zij voor het ongelofelijk hoge bedrag van duizend Duitse Mark de reu Rolf von Vogelsberg. Hij werd de stamvader van hun fokkerij. Hun eerste zelfgefokte kampioen was een zoon van deze Rolf. Hij heette Dampf von Dom en werd in 1912 geboren. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog legde de ontwikkeling van het ras stil. Het Boxerbestand werd vreselijk uitgedund, doordat honden gevorderd werden door het leger. Philip Stockmann organiseerde het gebruik van oorlogshonden. Ook zijn eigen hond Rolf werd ingezet als oorlogshond. In deze periode werd de kleur wit, die tot die tijd overheerste, ongewenst. Dit is wel te verklaren, want in oorlogstijd is een hond met veel wit een gemakkelijk doelwit. Na de oorlog werd de Boxer in 1919 in Duitsland erkend als vijfde werkhondenras. Hij kwam in trek als politiehond en men begon hem ook als blindengeleidehond te waarderen.

Boxer

Karakter

De Boxer is een vrolijke, levenslustige hond die heel blijmoedig de wereld inkijkt. Hij is vriendelijk, maar kan soms wat gereserveerd zijn naar vreemden. Naar ’eigen volk’ is hij uitermate enthousiast, op het onbehouwen af. De Boxer is geen agressieve hond. Hij heeft echter wel een grote beschermingsdrift. Als hij het idee heeft dat zijn baas, diens gezin of bezittingen in gevaar zijn, zal hij hen willen helpen. Hij is geen overdreven blaffer. Als hij aanslaat, is er waarschijnlijk ook echt iets aan de hand.

De Boxer is een sterk gespierde atleet…

De Boxer is een evenwichtige hond, die niet zenuwachtig mag zijn. Hij moet stabiel en niet snel onder de indruk van een vervelende gebeurtenis zijn. Een Boxer is hard voor zichzelf, in die zin dat hij weinig uiting geeft aan fysieke pijn, maar hij is wel heel gevoelig voor de stemming van zijn baas.

Met honden van kleinere rassen en met pups geeft de volwassen Boxer zelden problemen. Hij is geduldig en neemt eventuele uitdagingen van kleine honden niet echt serieus. Anders is het met honden van zijn eigen formaat, en dan zeker honden van hetzelfde geslacht. De Boxer kan dan een vrij kort lontje hebben en vol overtuiging ’zijn gelijk’ halen.

Opvoeding

De Boxer gedijt het best bij een opvoeding die gebaseerd is op positieve bekrachtiging. Door hem steeds uitvoerig te prijzen voor gewenst gedrag, gaat hij dit gedrag steeds vaker vertonen. Door het negeren van ongewenst gedrag, sterft dit uit. De Boxer wordt graag geprikkeld tot zelf nadenken. Daardoor is clickertraining een goede methode om met dit ras te werken. Hij moet zelf uitpuzzelen welk gedrag de click uitlokt en hoe hij aan zijn beloning kan komen. Er wordt geappelleerd aan zijn probleemoplossend vermogen en dat is voor hem dé manier om te leren.

Kinderen

De Boxer is een speelse, actieve hond die prima past in een gezin met opgroeiende kinderen. Hij zal ze graag vergezellen op hun ’avonturen’ in de tuin en meedoen met hun balspelletjes. Hij kan echt clownesk gedrag vertonen als hij met kinderen samen aan het spelen is. U moet er wel rekening mee houden dat een Boxer een sterke hond is die bovendien soms wat onbesuisd kan zijn. Daardoor is hij voor gezinnen met heel kleine kinderen misschien iets te lomp. Een peuter is immers zo omver gelopen. Veel hangt daarbij ook af van uw eigen insteek en uw alertheid op situaties die voor uw kind of uw hond mogelijk onprettig kunnen verlopen. De Boxer is behoorlijk hard voor zichzelf en kan best tegen een stootje, maar u moet er wel voor hoeden dat hij – al dan niet onbedoeld – door uw kinderen of buurtkinderen wordt geplaagd. Dit is overigens niet voorbehouden aan dit ras. Welk type hond u ook kiest, het is altijd een must om de omgang tussen kind en hond goed te regisseren. Om er zeker van te zijn dat kind en hond op een prettige manier met elkaar omgaan, moet u als ouder en baas actief toezicht houden. Kinderen lezen gedrag van honden vaak heel anders dan de hond het bedoelt. Als een hond waarschuwend gromt en een kind vindt dat een leuk geluidje, zal hij zeker niet stoppen met het gedrag dat de grom van de hond uitlokte. Ik kan me uit mijn eigen jeugd herinneren dat ik zo fijn met de Boxer van mijn oom kon spelen. Die wilde altijd zo leuk ’treintje’ spelen. Ik had er geen idee van dat dit rijgedrag een dominante handeling van de hond was. Het is meer geluk dan wijsheid geweest dat er nooit een incident is geweest.

Beweging

De Boxer heeft behoorlijk wat beweging nodig. Hij moet dagelijks vrij kunnen rennen om zijn energie kwijt te kunnen. Als u hem van pup af aan hebt geleerd dat bij de baas komen altijd leuk is en vaak wat oplevert, zal het onaangelijnd met hem wandelen zeer ontspannen verlopen. Hij heeft nauwelijks tot geen jachtpassie en zal nooit ver van u vandaan gaan om een spoortje uit te werken. Wel moet u er rekening mee houden dat zijn prooidrift kan ontwaken als er een kat voor hem op de vlucht slaat, of als hij per ongeluk bij het konijn in de ren kan komen. De kans is dan groot dat hij achter de kat aanjaagt, of het konijn doodbijt.

De Boxer komt goed tot zijn recht bij een sportieve baas. Wie wat wil ondernemen met zijn hond, kan heel goed uit de voeten met dit ras. Zowel in agility, flyball, G&G als in de africhting kan dit ras floreren. De training zal overigens niet altijd even gladjes verlopen. De Boxer is een slimme hond die er soms een eigen agenda op nahoudt en niet automatisch het gedrag laat zien dat zijn baas in gedachten had. Het is dus zaak hem bij een training altijd een stapje voor te blijven. Veel afwisseling en korte trainingssessies zijn essentieel voor succesvolle training met uw Boxer. Voorkom dat hij zich gaat vervelen en appelleer aan zijn probleemoplossend vermogen. Door hem steeds te stimuleren zelf na te denken en hem hiervoor uitvoerig te prijzen, zult u een hond krijgen die graag en met groot enthousiasme voor u werkt.

Gezondheid

De Boxer kent een aantal erfelijke aandoeningen. Kanker komt voor binnen het ras, evenals hartaandoeningen als Aritmogene Cardiomyopathie (ARVC) en Dilatatie Cardiomyopathie. Cardiomyopathie is een ziekte van de hartspier (het myocardium) waarbij er geen misvormingen te zien zijn aan het hart of de hartkleppen. Cardiomyopathie is een erfelijk gebonden aandoening, maar kan ook ontstaan ten gevolge van sommige toxische stoffen of infecties. Voor ARVC is in de Verenigde Staten een DNA-test ontwikkeld. Ook komen er nierproblemen voor binnen het ras. Oogproblemen als entropion komen voor, evenals heupdysplasie, allergieën en epilepsie.

De Boxer is brachycefaal. Deze kort- schedeligheid kan voor gezondheidsproblemen zorgen. De Boxer kan minder goed tegen de warmte.

Boxers kunnen sterk reageren op het narcosemiddel acepromazine. Het is verstandig om dit te melden aan uw dierenarts, zodat deze een ander sedatiemiddel kan kiezen. Gescheurde kruisbanden is een blessure die we bij de Boxer bovengemiddeld zien.

Boxer

Rasstandaard

Land van herkomst: Duitsland.

FCI-nummer: 162.

FCI-Rasgroep: 2, Pinschers, Schnauzers, Molossers.

Hoofd: de schoonheid van het hoofd van de Boxer berust op de harmonische maatverhouding tussen snuit en schedel. Van welke richting het hoofd ook bekeken wordt, altijd moet de snuitpartij in de juiste verhouding tot de schedel staan, dus het mag nooit te klein lijken. Hoe meer de snuitbreedte de schedelbreedte benadert, hoe beter het is. Daar mag echter de daarbij behorende snuitdiepte niet onder lijden. Het hoofd moet zo droog mogelijk zijn, dus zonder te sterke rimpels. Het donkere masker moet zich tot de snuit beperken en duidelijk afsteken tegen de kleur van het hoofd. De lippen voltooien de vorm van de snuit. Zij zijn zeer krachtig ontwikkeld en lopen in mooi gevormde bogen, die goed afsteken tegen de droge hals, uit. De snuit moet krachtig ontwikkeld zijn, in breedte, zowel in diepte als lengte. De vorm ervan wordt beïnvloed door: de vorm van de kaak; stand van het gebit in de kaak en hoedanigheid van de lippen. Kaken: beide kaken eindigen aan de voorzijde niet in een loodrecht vlak, maar het ondergebit steekt vooruit en buigt zich licht omhoog. De Boxer heeft een ondervoorbeet. De bovenkaak is breed bij de schedel en verloopt ook breed naar voren, daarbij nauwelijks smaller wordend. Beide kaken zijn dus van voren zeer breed. De hoektanden staan zover mogelijk van elkaar verwijderd, de snijtanden in een rij, in de bovenkaak in een naar voren gebogen lijn, in het ondergebit in een zo veel mogelijk rechte lijn. Het gebit moet krachtig en gezond zijn en tanden moeten zo regelmatig mogelijk geplaatst zijn. De lippen vol- tooien het uiterlijk van de snuit. Lippen: bovenlip is dik en vlezig en vult de ruimte op ontstaan door de voor de bovenkaak uitstekende onderkaak, waarbij deze door de hoektanden van de onderkaak wordt gedragen. Daardoor ontstaat het voorste vlak, de spiegel, van de snuit. Dit moet zo groot mogelijk zijn, bijna vierkant en een stompe hoek vormen met de neusrug. Het onderste gedeelte van de bovenlip steunt op de rand van de onderlip. Het opwaarts gekromde deel van de onderkaak samen met de onderlip, dat wij de kin noemen, mag niet te ver voor de bovenlip uitsteken, maar zeker niet achter de bovenlip verdwijnen. De onderlip moet, zonder bulldogachtig naar voren te steken en gekromd te zijn, zowel van voren als van opzij goed gemarkeerd zijn. De tanden van de onderkaak mogen bij gesloten mond niet zichtbaar zijn; evenmin mag de Boxer dan zijn tong tonen. Bovenschedel: licht gewelfd en mag noch bolvormig, noch vlak zijn. Deze mag niet te breed zijn en de achterhoofdsknobbel niet te hoog. Het voorhoofd vormt met de neusrug de duidelijk gemarkeerde stop. De neusrug mag niet zoals bij de Engelse Bulldog in het voorhoofd zijn gedrukt, maar mag ook niet afvallend zijn. Neuspunt ligt een weinig hoger dan de neuswortel en moet licht omhoog gestulpt schijnen te zijn. Neus breed en zwart, en licht omhoog gestulpt; de neusgaten zijn wijd, waartussen zich de neusgroef bevindt. Het voorhoofd toont de zwak aangegeven voorhoofdsgroef die echter, vooral tussen de ogen niet te diep mag zijn. De wangen zijn in overeenstemming met het krachtige gebit ook sterk ontwikkeld zonder echter, zoals bij de Bulldog, te opvallend te zijn (te veel bakken). Het is eerder zo, dat ze met een lichte welving in de snuit overgaan.

Oren: zijn hoog aangezet en moeten qua grootte in harmonie met het hoofd zijn; liever klein dan te groot, moeten dun aanvoelen en wijd van elkaar staan. In rust liggen zij vanaf de bovenschedel vlak tegen de wangen aan. Als de hond attent is moeten de oren in een duidelijke vouw naar voren vallen.

Ogen: zo donker mogelijk; mogen noch te klein zijn, noch uitpuilen of te diep liggen. Het drukt energie en intelligentie uit en mag nimmer een sombere, dreigende en nog veel minder een grimmige indruk maken. Het derde ooglid moet donker omrand zijn.

Hals en nek: rond en in geen geval te kort en dik; hij moet van een goede lengte zijn, gespierd en krachtig, maar droog en zonder keelhuid. De hals verloopt met een duidelijk gemarkeerde nekaanzet in een elegante boog naar de rug. De hals moet zeer veel adel tonen.

Lichaam: kwadratisch, d.w.z. dat de begrenzingslijnen: een horizontaal over de rug, een verticaal langs het borstbeen, en een achter langs de bil, samen met de bodemlijn een vierkant vormen. De romp rust op stevige, rechte ledematen met krachtige botten. Rug: de schoft moet goed gemarkeerd zijn; de gehele rug is kort, recht breed en sterk bespierd. Lendenen: zijn breed, kort en krachtig, de buik is goed opgetrokken. Het kruis is breed en heel lichtjes aflopend.

Front en voorhand: de borst is diep, tot aan de ellebogen reikend. De borstdiepte bedraagt ongeveer de helft van de gehele hoogte van de Boxer. De ribben zijn behoorlijk gewelfd, maar niet tonvormig, ver naar achteren reikend, de flanken kort, gesloten en gespannen, licht ingetrokken, waarbij de buikbelijning in een elegante boog naar achteren reikt. De schouder is lang en schuin, goed gesloten aanliggend en zoveel mogelijk loodrecht; hij vormt een rechte hoek met het schouderblad. De beide voorbenen moeten van voren gezien recht en evenwijdig zijn en sterke, stevig aan elkaar verbonden knoken hebben. De ellebogen mogen niet te sterk tegen de borstwand gedrukt zijn, maar ook niet afstaan. De onderarm is loodrecht, lang en stevig gespierd. Voorkniegewricht kort en niet overdreven zichtbaar. De middenvoet is kort, slechts weinig schuin en bijna loodrecht op de bodem staand. Voeten zijn klein, gesloten en hebben gebogen tenen (kattenvoeten) met harde zolen.

Achterhand: deze is sterk gespierd, de bespiering is keihard en duidelijk zichtbaar onder de huid. De bil is zo breed mogelijk en gewelfd, niet smal en vlak; de kroep licht gebogen, enigszins gewelfd, een brede staartaanzet eerder hoog dan te laag. Het bekken moet lang en vooral bij de teven breed zijn; het dij- en schenkelbeen lang, de hoeken bij heup – en kniege- wricht zijn zo weinig mogelijk stomp. De knie moet in normale stand zover vooruitsteken, dat deze door een uit de knobbels op het kruisbeen naar de grond neergelaten loodlijn nog wordt geraakt. Hoek van het spronggewricht circa 140°; de korte achtermiddenvoet gaat met een geringe afwijking van 95°-100° naar de grond, dus niet volkomen loodrecht. Van achteren gezien moeten de achterbenen recht zijn. Het spronggewricht droog, niet overdreven, met een sterk hielbeen, de tenen enigszins langer dan die aan de voorvoet, verder gesloten en gewelfd (kattenvoet).

Beharing: haar kort, stevig en glad aanliggend. De erkende kleuren zijn geel of gestroomd. Geel komt in de meest verschillende schakeringen voor van donker hertenrood tot lichtgeel; de middentinten zijn het mooist (geel – rood). De gestroomde kleur kan gaan van een heel lichte stroming tot een zeer donkere stroming die er bijna zwart uitziet. De grondkleur en de zwarte stroming moeten duidelijk gescheiden zijn; de strepen mogen noch te dicht, noch te ver uit elkaar liggen. De grondkleur mag niet vaal zijn; grondkleur en stroming mogen zich niet met elkaar vermengen zodat de stroming verdwijnt. Witte aftekeningen zijn toegestaan indien deze niet meer dan 1/3 van de totale lichaamsoppervlakte van de Boxer innemen. Tevens moeten de witte aftekeningen goed geplaatst zijn zodat deze de expressie en algemene verschijning van de Boxer niet verstoren. Een geheel of halfwit hoofd wordt als ongewenst beschouwd. Boxers met witte grondkleur evenals een zwarte zijn ongewenst en worden dus niet op tentoonstellingen toegelaten.

Afmetingen: schofthoogte reuen tussen 57 – 63 cm; teven tussen 53 – 59 cm. Het gewicht voor reuen is 30 kg bij een schofthoogte van 60 cm en voor teven ongeveer 25 kg bij een schofthoogte van 56 cm.

Gang: de natuurlijke gang van de Boxer is de galop.

Karakter: het karakter van de Boxer is van het grootste belang en verdient speciale aandacht. Zijn aanhankelijkheid en trouw ten opzichte van zijn baas en zijn gezin en zijn waakzaamheid en onverschrokkenheid als verdediger en beschermer zijn van oudsher beroemd. Hij is betrouwbaar in het gezin, maar wantrouwend tegenover vreemden. Hij heeft een vrolijk en vriendelijk temperament bij het spel, maar een angstaanjagend als het hem ernst is. Zijn intelligentie en volgzaamheid, zijn tevredenheid en zijn reinheid maken hem tot een fijne gezins- en gezelschapshond. Zijn karakter is joviaal, niet vals of achterbaks, zelfs tot op hoge leeftijd.

VERZORGINGSTIPS VAN DE ABHB TRIMSALONS:

De Boxer heeft een vacht waar je je lelijk op kunt verkijken. Het korte haar met minimaal onderhaar zal niet klitten, zal geen zand of blubber mee in huis slepen, maar verharen… dát kunnen ze goed. Overal van die kleine haartjes, die zelfs de neiging hebben om rechtop in kledingstof te kruipen. Het is zaak om dat verharen tot een minimum te beperken. Het beste, maar misschien wat tegenstrijdig aanvoelende, advies hierin is: niet borstelen. De enige borstel die werkt op een Boxer is een rubber noppenborstel, maar deze borstel zal ook aan de vacht ’trekken’. Door aan het haar te trekken verloopt de wisseling van de vacht steeds onregelmatiger. Iedere dag verharen er een paar haren in plaats van een duidelijke rui in het voorjaar en een wat mindere in het najaar. Wat dagelijks wel plezierig is, is de vacht licht afnemen met een vochtige zeem. De losse haren worden meegenomen en de verharing wordt niet gestimuleerd. Wanneer de vacht echt volop verhaart, is het positief om de Boxer een uitgebreide badbeurt te (laten) geven. In de trimsalon gebeurt dat met geavanceerde apparatuur als badpomp en waterblazer; thuis is het betere handwerk nodig. Minimaal een kwartier de shampoo inmasseren met de vingertoppen. Daarna goed naspoelen met een gladmakende crèmespoeling. In de salon zal ook de buitenste gehoorgang gereinigd worden en de lichte bevedering van de staart gemodelleerd. ABHB-salons in uw omgeving vindt u op: www.abhb.nl De ABHB-trimmers zien uw vrolijke Boxer graag binnenkomen.

Informatie

Meer informatie Nederlandse Boxer Club, secr.: dhr. N. van der Wal, e-mail: nanning.vanderwal@gmail.com. Website vereniging: www.nederlandseboxerclub.nl of Boxer Vrienden Nederland, secr.: M. Sterk, Lingedijk 44, 4191 VG Geldermalsen, tel.: 0345-577727. Website vereniging: www.boxervriendennederland.nl

tekst: Natasje van Hout, foto’s: Alice van Kempen

Deel bericht

Share on facebook
Share on print
Share on email
Bekijk ook