Berner Sennenhond

Berner Sennenhond

Zwitserland kent vier Sennenhondrassen. Naast de Berner Sennenhond zijn dat de Appenzeller Sennenhond, de Entlebucher Sennenhond en de Grote Zwitserse Sennenhond. Deze rassen hebben dezelfde kleurstelling: ze zijn driekleurig (tricolour). Ze hebben een zwarte basiskleur met (roest)bruine aftekeningen op de wangen, boven de ogen en op alle vier de benen. Deze aftekeningen worden ‘brand’ genoemd. Ook hebben zij symmetrische witte aftekeningen op de benen, het hoofd (als een bles), de hals en op de borst bij voorkeur in de vorm van een kruis. De Berner Sennenhond is de bekendste van deze rassen  en de enige die langharig is…

In het kort

De Berner Sennenhond is een rustige, opmerkzame hond met een stabiel karakter. Op jonge leeftijd kan hij levendig, druk en nogal lomp zijn, maar wanneer hij de jaren des onderscheids heeft bereikt, wordt hij meer ‘gentleman’. Hoewel de volwassen Berner Sennenhond erg kan genieten van een stevige wandeling, is hij niet erg veeleisend waar het beweging aangaat. Er zijn wel Berners die bijzonder sportief zijn en meer fysieke en mentale uitdaging nodig hebben, maar zij vormen eerder de uitzondering dan de regel. De Berner Sennenhond is een goede waakhond. Hij hoeft daarvoor niet veel te doen. Alleen al van de aanwezigheid van zo’n grote hond zal een preventieve werking uitgaan. Als zijn baas niet thuis is zal hij diens bezittingen beschermen. Is zijn baas zelf aanwezig, dan zal de Berner zich achter hem opstellen, ervan uitgaand dat zijn baas zijn zaakjes heel goed zelf kan regelen. Hij is geen overdreven blaffer, maar slaat wel aan als hij iets niet vertrouwt. Zoals het een erfhond betaamt, is hij over het algemeen aanvankelijk wat terughoudend naar vreemden. Als zijn baas echter laat merken dat het goed is, moet hij zich ook openstellen.

  • Herkomst: Zwitserland
  • Levensverwachting: 6 tot 8 jaar
  • Karakter: Beheerst, waakzaam, eigenwijs, intelligent, aanhankelijk, loyaal, trouw
  • Gewicht: Reu: 38–50 kg, teef: 36–48 kg
  • Hoogte: Reuen 64 – 70 cm, ideaal 66 – 68 cm; teven 58 – 66 cm, ideaal 60 – 63 cm.
    Uitgebreide rasstandaard onderaan de tekst

Het verschil in vacht zou wel eens de oorzaak kunnen zijn voor het grote verschil in populariteit tussen de verschillende Sennenhondrassen. De Berner Sennenhond ziet er met zijn lange vacht bijzonder aantrekkelijk uit. Maar ook zijn rustige, vriendelijke karakter heeft natuurlijk bijgedragen aan zijn imago van ideale gezinshond. De overige Sennenhonden staan doorgaans bekend als wat pittiger, drukker en meer terughoudend naar vreemden.

Herkomst

In de hoger gelegen Alpengebieden waren de herders, die in Zwitserland Senners werden genoemd, werkzaam. Op de sappige alpenweiden hoedden zij koeien, maar ook varkens en geiten. Zij hielden wat kleinere, wendbare honden voor het drijven en hoeden van de kudde. Hier ontstonden de Entlebucher en de Appenzeller Sennenhond. De Senner, ook wel ‘Küher’ genoemd, verkocht melk, boter en kaas in de nabije dorpen.

In de lager gelegen vlakkere gebieden van het Zwitserse binnenland werd oorspronkelijk voornamelijk akkerbouw bedreven. Men zag hier het liefst grote, zware en imposante honden om het erf te bewaken. Uit deze erfhonden ontwikkelden zich de Grote Zwitserse Sennenhond en de Berner Sennenhond. De Berner is dus van eenvoudige komaf. Hij vindt zijn oorsprong in een boerenerfhond, een soort manusje van alles op de boerderij.

Aanvankelijk was er geen duidelijke scheiding tussen de vier Sennenrassen en werden de verschillende typen door elkaar heen gefokt. Het is dus niet zo vreemd dat veel Berner Sennenhonden soms drijf- of hoedinstincten hebben. De kleinere honden kwamen in de winter met de herder en zijn kudde terug naar het dal. De koeien werden dan bij verschillende boeren op stal gezet.

De Berner Sennenhond is een  boerenhond van oude herkomst…

In de negentiende eeuw stierf het beroep van Senner uit. Een van de redenen hiervoor was dat men ontdekte dat de kaas van dalkoeien net zo lekker was als die van de koeien die op de alpenweiden graasden. Veel boeren stapten over van akkerbouw op veeteelt. De boeren – die voorheen ’s winters hun stal verhuurden aan de Senner die met zijn kudde in het dal verbleef – hadden hun stal nu zelf hard nodig. Zo werden de mogelijkheden voor de Senner steeds verder beperkt en raakte dit beroep in de vergetelheid.

Dürrbach

Helaas gebeurde ook in Zwitserland op een gegeven moment wat er in andere landen gebeurde: men ging de lokale werkhonden vervangen door buitenlandse of andere rassen. Op het boerenerf zag men steeds meer de Leonberger of de Sint Bernard verschijnen ten koste van de Berner Sennenhond en de Grote Zwitserse Sennenhond. Deze honden raakten in onbruik en werden dus minder vaak gezien.

In de bergachtige, moeilijk bereikbare omgeving van herberg Dürr-bach, ten zuiden van Bern, fokte men tijdenlang nog wel een inheemse boerenhond van homogeen type die men wel ‘Vieräugler’ noemde naar de bruine vlekjes net boven hun ogen, of ‘Gelbbäckler’ naar hun geelbruine wangen. Honden met een goede bles werden ‘Bläss’ of Blässli’ genoemd. Had de hond weinig wit dan noemde men hem ‘Bärri’. Vanwege het koude klimaat zag men er het liefst langharige honden. Omdat dit type hond in deze regio veelvuldig voorkwam, ging men hem Dürrbächler noemen. Een van de taken die de Dürrbächler had was het trekken van de melkkar naar de kaasmakerij. Het waren vaak de kinderen die, als ze naar school gingen, de hond begeleidden als hij naar de Käserei liep. Terug liep de hond dan met zijn lege kar alleen naar huis.

Berner Sennenhond

Albert Heim

In 1907 richtte men de ‘Schweizerischen Dürrbach-Klub’ op. Een jaar later stelde prof. dr. Albert Heim, een Zwitserse geoloog met een grote kynologische belangstelling, echter voor om de naam te wijzigen in ‘Berner Sennenhundklub’, omdat dit type hond als eigen werd beschouwd in het hele kanton Bern. Tevens adviseerde hij de vereniging om met name te selecteren op lange vachten, om het ras duidelijk te onderscheiden van de Appenzeller Sennenhond. In 1912 wijzigde de vereniging haar statuten en werd ook de naam gewijzigd, waarna de Dürrbächler voortaan bekend stond als Berner Sennenhund. Prof. Heim heeft een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling en erkenning van de vier Sennenhonden. Zijn naam is dan ook onlosmakelijk verbonden met deze rassen. Door de groeiende kynologische belangstelling werd de Berner Sennenhond ook buiten het gebied van herkomst bekend. Zijn aantrekkelijke uiterlijk en prettige karakter zorgden ervoor dat steeds meer mensen hem in de armen sloten. Hij werd een populaire gezelschapshond.

Bergaf

Deze toenemende populariteit eiste zijn tol van het ras. Er kwamen fokkers die zich vooral bezighielden met vermeerdering, waardoor er enkele ernstige tekortkomingen in het ras slopen. Gedragsproblemen als angst en toenemende agressie teisterden het ras. Het toenmalige bestuur van de vereniging besloot tot het instellen van een fokkeuring die in 1957 werd ingesteld, gericht op zowel exterieur als gedrag. De smalle fokbasis maakte het echter onmogelijk om de aanwezige problemen binnen het ras een halt toe te roepen. Er gingen meer en meer stemmen op om vreemd bloed in te brengen om het ras te kunnen redden. Aanvankelijk dacht men daarbij aan de Grote Zwitserse Sennenhond, maar het gebruik van dit ras had als nadeel dat het leidde tot korte vachten. Daarom werd uiteindelijk de Newfoundlander beschouwd als een goede kandidaat. Dit bleek een juiste keuze.

Nederland

In 1937 richtte Albert de la Rie de Nederlandse Sennenhonden Club op. Het ras werd hier als gezelschaps-hond gehouden en gefokt, dit in tegenstelling tot het land van herkomst, waar hij immers altijd een werkhond was geweest. Dat had tot gevolg dat het type in Nederland veranderde. Het ras werd hier wat ranker en luxer van type, met een langere rug.

Na de Tweede Wereldoorlog moest men in ons land opnieuw beginnen met de opbouw van het ras.

In de jaren zeventig kampte het ras met grote gedragsproblemen. Zo serieus dat de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied besloot in te grijpen en een tijdelijk fokverbod instelde tussen 1973 en 1974. Er werd een commissie aangesteld die tot taak had de problemen binnen het ras te onderzoeken. Onderzoek verricht aan de faculteit Diergeneeskunde in Utrecht bracht aan het licht dat een erfelijke hersenafwijking debet was aan de gedragsproblematiek binnen het ras. Deze problemen waren door de toegepaste inteelt verankerd geraakt in het ras. Er werd een karaktertest ingevoerd en er werd streng geselecteerd bij de fokkerij om de problemen een halt toe te roepen.

Er kwam een tweede vereniging in ons land: de ‘Klub voor Berner Sennenhonden’. In 1978 gingen beide verenigingen samen verder onder de naam ‘Vereniging de Berner Sennenhond’. In 2000 werd daarnaast de Nederlandse Berner Sennenvereniging (NBSV) opgericht. Beide verenigingen worden erkend door de Raad van Beheer.

Berner Sennenhond

Karakter

De Berner Sennenhond is een zachtmoedige, gevoelige hond. Hij verloochent zijn oorspronkelijke functie als erfhond niet; ook de moderne Berner is nog zeer honkvast en een wegloper is hij zeker niet. Toch is het verstandig om de tuin of het erf waarop hij loopt te omheinen, omdat het in ons land ook op een meter van ons erf vaak al levensgevaarlijk is voor een hond.

Wereldwijd is de Berner als familiehond bekend en geliefd…

Zijn vriendelijke karakter en aanhankelijkheid ten opzichte van zijn baas en diens gezin maken hem tot een prettige gezinshond. Hij is normaal gesproken lief tegen kinderen en kan veel van hen hebben. Dit geduld en deze toegeeflijkheid kunnen echter ook tegen hem werken. Soms zie je hoe kinderen een dergelijke hond misbruiken als een klimtoestel. Ik ben van mening dat een kindvriendelijk ras als de Berner Sennenhond misschien nog wel extra in bescherming genomen moet worden tegen de (onbedoelde) plagerijen van kinderen. Leer uw kinderen hoe zij op een prettige manier met de hond kunnen omgaan. Dat kan al op heel jonge leeftijd, maar het vraagt wel alertheid en kordaat optreden van de ouders. Als kind en hond respectvol met elkaar leren omgaan, zullen zij elkaar steeds meer gaan waarderen en als dikke vrienden door het leven gaan.

Andere dieren

De Berner Sennenhond is een sociale hond die prima kan leren samenleven met andere dieren. Natuurlijk blijft het wel belangrijk om hem hierin goed te socialiseren. Alle dieren waarmee hij bekend is op het erf of in huis, zullen gemakkelijk door hem geaccepteerd – en vaak ook beschermd – worden.

Met andere honden kan de Berner het meestal wel goed vinden, al laten reuen zich niet altijd de kaas van het brood eten door seksegenoten en kunnen zij onderling soms iets onverdraagzamer zijn.

Opvoeding

Een van de belangrijkste dingen om u te realiseren bij de opvoeding van uw Berner Sennenpup is dat hij een grote hond zal worden. Is het wellicht heel schattig dat uw jonge Berner tegen u opspringt als u thuiskomt, bedenk dan hoe u er tegenover staat als hij dat op volwassen leeftijd ook doet als hij een slordige vijftig kilo weegt.

Alles wat u uw hond als pup toestaat, zal hij als volwassen hond ook graag willen doen. Een goede insteek bij opvoedkundige kwesties is: wat hij vandaag mag, mag morgen ook. Als u uw Berner Sennenhond consequent de regels bijbrengt waaraan hij zich tijdens zijn leven dient te houden, is het niet moeilijk om hem tot een prettige huisgenoot op te voeden. Hij is weliswaar vrij zelfstandig van aard, maar toch is hij doorgaans erg welwillend in het tegemoetkomen aan de wensen van zijn baas. Zeker als pup en jonge hond is hij leergierig. Wacht u echter te lang met het opvoeden van uw Berner, dan wordt het lastiger om hem nog enige gehoorzaamheid bij te brengen. Juist omdat het een erfhond is, is een goede socialisatie belangrijk, anders reageren ze als oudere hond overal met terughoudendheid op. Als u het eerste jaar veel aandacht besteedt aan de opvoeding van uw hond, dan heeft u daar zijn leven lang plezier van.

Verzorging

De Berner Sennenhond is van oudsher een boerenerfhond. Hij waakte voor zijn baas en trok de melkkar naar en van het dorp. De Berner Sennenhond komt dan ook het best tot zijn recht als hij de ruimte krijgt. Hij is meer een hond voor op het platteland dan in de stad. Hij is graag delen van de dag lekker buiten in de frisse lucht, waar hij zijn plaats op het erf of in de tuin kan innemen. Dit betekent niet dat hij een goede kennelhond is. Dat is hij juist helemaal niet. Hij moet echt deel kunnen uitmaken van het gezin waarin hij wordt opgenomen. Hij is erg contactgericht en zou verkommeren als hij veel aan zijn lot wordt overgelaten.

De Berner Sennenhond is doorgaans een erg grage eter. Houd er met voeren rekening mee dat hij snel te zwaar wordt. Iedere kilo die hij extra moet meetorsen is belastend voor zijn gewrichten. Het is dus zaak om te voorkomen dat hij corpulent wordt.

Gezondheid

De Berner Sennenhond kent een aantal erfelijke aandoeningen. Lange tijd was heupdysplasie daarvan de bekendste. Sinds er in Nederland een verplichte (strenge) keuring is ingevoerd, heeft men dit probleem aardig onder controle kunnen krijgen. De ellebogen blijven een punt van aandacht. Elleboogdysplasie, en dan met name osteochondrosis dissecans (OCD) met loslatende stukjes kraakbeen, komt voor. Ook gescheurde kruisbanden (voetbalknieën) komen bovengemiddeld voor in het ras.

Met een gemiddelde levensverwachting van zeven jaar is de Berner niet echt een gezond ras te noemen…

Met een gemiddelde levensverwachting van zeven jaar (en nog steeds dalende !) is de Berner niet echt een gezond ras te noemen. Het is verstandig om honden binnen

dit ras pas laat in te zetten voor de fokkerij, zodat men gaat selecteren op het behalen van hoge leeftijden. Een agressieve kankervorm, maligne histiocytose (MH), tegenwoordig histiocytair sarcoom genoemd, is een probleem binnen het ras waaraan veel dieren overlijden. Ongeveer 15% sterft er aan binnen twee leeftijdsgroepen namelijk 2 tot 6 jaar en 8 tot 10 jaar. Symptomen van deze aandoening kunnen zijn: gewichtsverlies en een verminderde eetlust, bloedarmoede, opvallende sloomheid, kreupelheid en longproblemen. Er wordt onderzoek gedaan naar de erfelijkheid van histiocytair sarcoom. Ook andere kankervormen komen voor, zoals in elk ras, want ongeveer 25% van alle honden overlijdt aan kanker. Verder wordt nierfalen (glomerulonefritis) nogal eens geconstateerd. Een laatste ziekte die nogal eens wordt vastgesteld is levershunt. Dit is een erfelijke afwijking waarbij een van nature aanwezig bloedvat in de lever niet sluit na de geboorte, waardoor de lever vermindert en zijn functie niet kan uitvoeren.

Een verplichte karaktertest voor ouderdieren blijft belangrijk om karakterfouten als angst of extreme terughoudendheid te weren. Helaas is deze alleen verplicht gesteld door de rasverenigingen, en niet door de Raad van Beheer, waardoor er nog veel angstige Berners rondlopen.

Berner Sennenhond

Rasstandaard

Land van herkomst: Zwitserland.

FCI-NR: 45.

FCI-Rasgroep: 2, Pinschers, Schnauzers, Molossers en Sennenhonden, sectie 3.

Gebruik: oorspronkelijk waak-, drijf- en trekhond op boerderijen, tegenwoordig ook familie- en veelzijdige werkhond.

Kort historisch overzicht: de Berner Sennenhond is een boerenhond van oude herkomst, die in het vóór Alpengebied en delen van het binnenland in de omgeving van Bern als waak-, trek- en drijfhond gehouden werd.

Naar het gehucht en de herberg Dürrbach bij Riggisberg, waar deze langharige, driekleurige erfhond bijzonder veelvuldig voorkwam, kreeg hij zijn oorspronkelijke naam: ‘Dürrbächler’.Nadat in 1902, 1904 en 1907 al zulke honden op hondententoonstellingen waren uitgebracht, sloten in november 1907 enkele hondenfokkers uit Burgdorf zich aaneen om het ras zuiver te gaan fokken. Zij stichtten de ‘Schweizerischen Dürrbach-Klub’ en stelden raskenmerken op.

In 1910 werden op een hondententoonstelling in Burgdorf, waar veel boeren uit de omgeving met hun Dürrbächler-honden naar toe kwamen, reeds 107 dieren geëxposeerd. Van toen af aan verwierf het ras, in navolging van de andere Zwitserse Sennenhonden, voortaan ‘Berner Sennenhond’ genoemd, snel vrienden in heel Zwitserland en spoedig ook in het naburige Duitsland. Tegenwoordig is de Berner Sennen- hond dankzij zijn driekleurige aftekening en zijn aanpassingsvermogen wereldwijd als familiehond bekend en geliefd.

Algemene verschijning: langharige, driekleurige, meer dan middelgrote, krachtige en beweeglijke gebruikshond met stevige ledematen; harmonisch en evenredig.

Lichaamsverhouding: verhouding tussen schofthoogte en lichaamslengte circa 9 : 10; eerder gedrongen dan lang.

Karakter en gedrag (aard): zeker, opmerkzaam, waakzaam en onbevreesd in alledaagse situaties, goedmoedig en aanhankelijk in de omgang met vertrouwde personen, zelfverzekerd en vriendelijk tegenover vreemden; gemiddeld temperament, volgzaam.

Hoofd: krachtig. Schedel: zowel in zij- als in vooraanzicht gezien zeer licht gewelfd; zeer duidelijke, doch niet te sterke stop, weinig ontwikkelde voorhoofdgroef; krachtige, middellange, rechte snuit. Neusspiegel: zwart. Lippen: weinig ontwikkeld, aansluitend, zwart.

Gebit: volledig, krachtig schaargebit.

Ogen: donkerbruin, amandelvormig, met goed aansluitende oogleden.

Oren: driehoekig, licht afgerond, hoog aan- gezet, middelgroot, in rust vlak aanliggend.

Hals: krachtig, gespierd, middellang.

Lichaam: krachtig, compact. Borst: tot aan de elleboog reikend, breed, met duidelijke voorborst; borstkas van breed-ovale doorsnee. Rug: vast en recht. Lendenpartij: breed en krachtig. Kruis: vloeiend afgerond. Buik: niet opgetrokken.

Staart: dichtbehaard, minstens tot het spronggewricht reikend, in rust hangend, in beweging zwevend op rughoogte, of licht daarboven.

Voorhand: Algemeen: in stand van achteren gezien recht, niet te nauw, achtermiddenvoeten en voeten naar binnen, noch naar buiten ge- draaid; wolfsklauwen moeten verwijderd zijn.

Schouders: lang, krachtig, schuin geplaatst, met de opperarm een niet te stompe hoek vormend, aanliggend en goed bespierd.Voormiddenvoeten: nagenoeg loodrecht in stand, sterk. Voeten: kort, rond en gesloten; tenen goed gewelfd.

Achterhand: Algemeen: in stand van achteren gezien recht, niet te nauw, achtermiddenvoeten en voeten naar binnen, noch naar buiten gedraaid; wolfsklauwen moeten zijn verwijderd. Dijbenen: tamelijk lang, van opzij gezien met het onderbeen een duidelijke hoek vormend, breed, krachtig en goed bespierd. Spronggewrichten: krachtig en goed gehoekt.

Gangwerk: ruime, gelijkmatige bewegings-afloop in alle gangen, uitgrijpende ruime pas vóór en goede stuwing vanuit de achterhand; in draf, van voren en van achteren gezien, bewegen de ledematen in een rechte lijn.

Beharing: Vachtstructuur: lang, sluik of licht gegolfd. Kleur van het haar: diepzwarte grond- kleur met diepe, bruinrode brand aan wangen, boven de ogen, aan alle vier de benen en op de borst, en met de volgende witte aftekeningen: Zuivere, witte, symmetrische hoofdaftekening. De bles verbreedt zich naar de neus toe aan beide zijden tot een witte snuitaftekening. De bles mag niet tot aan de vlekken boven de ogen reiken en de witte snuitaftekening hoogstens tot aan de mondhoeken. Witte, matig brede, doorlopende hals- en borstaftekening. Gewenst: witte voeten, witte staartpunt. Toegestaan: kleine witte nekvlek en/of kleine witte aarsvlek.

Schofthoogte: reuen 64 – 70 cm, ideaal 66 – 68 cm; teven 58 – 66 cm, ideaal 60 – 63 cm.

Fouten: elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd en de beoordeling van de ernst van de fout moet in verhouding staan tot de mate waarin de fout zich voordoet en het effect ervan op de gezondheid en het welzijn van de hond.

  • Licht botwerk.
  • Onder- en bovenvoorbeet.
  • Ontbreken van andere tanden dan ten hoogste tweemaal P1; M3 blijven buiten beschouwing.
  • Entropion, ectropion. • Zadelrug, overbouwd kruis, aflopende ruglijn. • Krulstaart, knikstaart. • Duidelijk kroeshaar. • Kleur- en aftekeningsfouten. • Ontbrekende witte hoofdaftekening.
  • Te brede bles en/of witte snuitaftekening, die duidelijk verder dan mondhoeken reikt. • Grote witte nekvlek. • Witte halsring. • Wit aan voorbenen, dat duidelijk tot boven het midden van middenvoet reikt (laars). • Storende asymmetrische aftekening aan hoofd en borst. • Zwarte vlekken en strepen in het wit op de borst.
  • Onzuiver wit (sterke pigmentvlekken).
  • Bruine of rode gloed over zwarte grondkleur.
  • Onzeker/instabiel karakter, agressiviteit.
  • Elke hond die duidelijk lichamelijke of gedragsmatige afwijkingen vertoont, moet worden gediskwalificeerd.

Beoordeling uitsluitende fouten:

  • gespleten neus.
  • blauw oog (+ glasoog/porceleinoog), blauwe vlekjes in de iris (Birkauge).
  • kort haar of kort stokhaar.
  • ontbreken van een driekleurenpatroon.
  • anders dan zwartgekleurde mantel.

N.B.: Reuen moeten in het scrotum twee normaal ontwikkelde testikels bezitten.

VERZORGINGSTIPS VAN DE ABHB TRIMSALONS:

Lang stokhaar met bevedering is de omschrijving die een professioneel vachtverzorger aan de prachtige haardos van de Berner Sennenhond geeft. Een dichte onderwol, glad aanliggende bovenvacht. Samen zorgt het voor een jas die de weersomstandig-heden in de Zwitserse bergen met gemak aan kan. Voor onze Nederlandse huiskamers kan het wel eens wat ‘te’ zijn en zal de Berner aangeven graag in de koele gang of gewoon in de tuin te willen liggen. Qua dagelijks onderhoud is de vacht minder bewerkelijk dan gedacht. Wekelijks met een grove kam de klitplaatsen achter de oren controleren en de broek in laagjes doorkammen is wel voldoende. Tenzij de hond gecastreerd of gesteriliseerd wordt. De vacht zal dan explosief toenemen en heeft veel meer onderhoud nodig. De zogenaamde castraatvacht is erg tekenend op de Berner. De intacte exemplaren zullen een à twee keer per jaar flink verharen en dan is een heuse spabehandeling aan te raden. Deze behandeling houdt een intensieve badbeurt in met véél warm water en véél shampoo. Alle losse haren glijden als het ware uit de vacht. Wanneer de behandeling afgerond wordt met het uitblazen met een waterblazer dan zal 90 procent van het verharende haar van de hond af zijn. Deze behandeling kunt u goed laten doen bij een professioneel trimmer. Dan blijft dat losse haar tenminste bij hen. ABHB-trimmers zijn altijd gediplomeerd, dat geeft net iets meer zekerheid. Ruim 900 zijn aangesloten bij de vakvereniging ABHB, en u vindt hen via de website www.abhb.nl. Is uw Berner door omstandigheden toch gecastreerd, dan willen zij graag een werkbaar onderhoudsprogramma met u opstellen.

Informatie

Voor informatie kunt u contact opnemen met de: Vereniging de Berner Sennenhond, e-mail: secretariaat@bernersennen.nl Website: www.bernersennen.nl

Nederlandse Berner Sennen Vereniging (NBSV),  e-mail: secretaris@bernersennenhond.nl Website: www.bernersennenhond.nl

Tekst: Natasja van Hout, foto’s: Alice van Kempen

5/5 - (1 stemmen)

Deel bericht

Share on facebook
Share on print
Share on email
Bekijk ook