Australian Cattle Dog

Australian Cattle Dog

Diverse taken zorgden voor een grote diversiteit aan rassen. Ieder ras heeft zijn eigen specialiteit. Hoe zijn die rassen tegenwoordig, bijvoorbeeld als gezinshond? Welke karaktertrekken hebben ze, en waar blinken ze in uit? Deze keer de supersportieve Cattledog.

Toen Australië in de achttiende eeuw door de Engelsen werd gekoloniseerd, brachten de kolonisten hun eigen honden mee vanuit het vaderland. Die bleken echter niet goed bestand tegen het extreem hete weer van down under en waren te luidruchtig voor het halfwilde vee dat uitzwierf over het wijdse, ruige land. In 1840 deed een Thomas Hall, een grootgrondbezitter een poging om daar verbetering in te brengen. Hij haalde een aantal blue merle Collies uit Schotland en kruiste deze met de inheemse wilde hond: de Dingo, een stille jager. De honden die daaruit voortkwamen, waren eveneens stille werkers, die bekend stonden onder de naam Hall’s Heelers en gewaardeerd werden om hun veedrijverkwaliteiten. Rond dezelfde tijd experimenteerde een andere grootgrondbezitter, George Elliot, eveneens met het kruisen van Dingo’s met bleu merle Collies. Door weer anderen werd er Dalmatische hond ingekruist wat resulteerde in rood- of blauwgespikkelde honden. Om de werkkwaliteiteiten te vergroten werd er nog een scheutje Kelpie bijgegoten, en de voorouders van de Australian Cattle Dog waren een feit.

Vanaf 1903 stonden ze bekend onder de naam Australian Heeler, later is dat veranderd in Australian Cattle Dog. De Australische veeboer zal dat hele verhaal worst wezen. Wat hij nodig had was een geharde hond die tegen hoge temperaturen kon, zonder zijn werklust te verliezen, en die hard genoeg was om grote afstanden af te leggen en het tegen het weerbarstige vee op te nemen. Die eigenschappen vond men in deze Cattledog; een hond met een enorm doorzettingsvermogen, kneiterhard voor zichzelf en snel en wendbaar genoeg om harde hoeven te vermijden. Zij dreven zelfstandig kuddes halfwild vee, liepen desnoods over de ruggen van de runderen om zo snel mogelijk aan de andere kant van de kudde te komen en zetten het vee in beweging. Als het rundvee te dwars lag, schroomde de hond niet om geweld in te zetten door middel van het bijten in hakken en neuzen.

Karakter
Hoewel de Cattledog aan de ene kant dus een spijkerharde hond is, beschikt hij toch over een zachte kern. Die ‘softspot’ is zijn eigenaar, die door de Cattledog vaak wordt verafgood. Een boze of onrechtvaardige eigenaar kan een Cattledog in totale verwarring brengen. De Cattledog wordt in ons land voornamelijk als gezinshond gehouden en dat kan, mits hij voldoende de gelegenheid krijgt om mentale en fysieke activiteiten te ontplooien. Sommige Cattledogs zijn echter uitgesproken eenmanshonden. Leuk voor zijn uitverkoren favoriet, minder leuk voor de andere gezinsleden die er maar een beetje bij bungelen in de optiek van de hond. Voor zijn uitverkorene kan het zelfs een soort Velcro-hond worden, een hond die zich zo stevig hecht dat hij zich als klittenband aan zijn baas vastklampt. Verlatingsangst ligt dan op de loer. Het alleen thuis blijven dient daarom rustig en weloverwogen opgebouwd te worden. Het liefst verkeert de Cattledog altijd in de directe nabijheid van zijn eigenaar en de stoere werker is er echt niet vies van om heerlijk op schoot te kruipen en zich uitgebreid te laten kroelen. Maar of hij nou slaapt, in soezerig aanbidding met zijn kop op de knieën van de baas hangt of lekker aan het spelen is, alert is hij altijd. De gemiddelde Cattledog beschouwt zichzelf als de zelfbenoemde bewaker van het gezin en hij zal er dan ook met alle middelen die hij ten dienste heeft voor zorgen dat zij veilig blijven. Nu is er niets mis met een waakse hond, maar let er wel op dat hij daarin niet doorslaat. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat hij de postbode opeet.

Tekst: Jolien Schat | Foto’s: Alice van Kempen

Het hele artikel lees je in Onze Hond 2019/6. Wil je nooit meer iets missen van Onze Hond? Neem dan een abonnement.

Deel bericht

Share on facebook
Share on print
Share on email