OH8_HAN-OU-0007

Hannoveraanse zweethond

In oude geschriften, documenten en boeken of op prenten en schilderijen is de geschiedenis van honden vastgelegd. En dan vooral het werk dat ze doen. Meegaan op jacht, het drijven en hoeden van een kudde, het bewaken van huis en hof en het gezelschap houden van de mens. Elke maand gunt ONZE HOND de lezer een inkijkje in de rijke historie van een rashond. Dit keer de vrij onbekende Hannoveraanse Zweethond.

Zweet = bloed

Ik kan mij voorstellen dat u zegt ‘Hannoveraanse Zweethond? Is daar nu zo veel over te vertellen? Jawel, vooral omdat dit ras is ontwikkeld in een tijd dat fokkers – in dit geval jachtopzieners – nog echt een nieuw ras konden ‘maken’. Behalve de Hannoveraanse Zweethond, worden in deze periode ook andere staande jachthonden ‘tot ras gemaakt’, zoals bij voorbeeld de Griffon Korthals en de Griffon Boulet. Vanuit een groot bestand min of meer gelijkvormige types gaat men bepaalde types apart fokken. Het is de tijd van de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw, waarin jachthonden een eigen rasbeschrijving krijgen – de standaard – met daarbij hun officiële rasnaam. Een van de redenen daarvan is de wens om bij elke actie in de jacht een ‘specialist’ te hebben; een voorstaande hond voor het ‘aanwijzen’ van het wild, een retriever om de buit ‘binnen te brengen’ en een Zweethond om verloren wild te zoeken, de zogenoemde nazoek.

Ik begin mijn historisch portret in de zeventiende eeuw, als er hier en daar in boeken al tekeningen verschijnen van honden die tot de voorouders van de Zweethonden behoren. Echter, Duitse historici beginnen graag ‘wat vroeger’, namelijk in de tijd van de Kelten, een middeleeuws Germaans jagersvolk. De geschiedenis van de Hannoveraanse Zweethond zou tot op die periode – zo’n 500 jaar voor Christus – zijn terug te voeren.

In de zeventiende en achttiende eeuw werken jagers nog volop met de ‘Leith-Hund’, een type dat al in de zestiende eeuw bij de jacht wordt gebruikt en – jawel – zou afstammen van de Keltenbrak.

Echter, bij de komst van het (jacht)geweer raakt de Leithund overbodig en heeft men behoefte aan een hond die het zweetspoor (zweet=bloed) kan uitwerken en (aan)geschoten wild kan vinden.

Drie verschillende types

Elke jager gaat er van uit dat zijn schot dodelijk is, maar de verantwoordelijke onder hen willen uitsluiten dat aangeschoten wild blijft liggen en een nare dood sterft. Vanaf circa 1820 verdwijnt de Leithund uit de jachtliteratuur en vanaf het midden van die negentiende eeuw zijn de Leithund en de Schweisshund nog nauwelijks uit elkaar te houden. Het voornaamste is dat hun taak is gewijzigd, van ‘Leithund’ naar ‘Spurhund’. Aan het einde van die eeuw wordt in de landstreken rond Hannover en Braunschweig de basis gelegd voor de huidige Hannoveraanse Zweethond. De meningen over hoe die Zweethond er precies moet uitzien zijn nogal verdeeld en dus ontstaan er drie verschillende types. Een ‘Schwerer Schlag’ – een zwaar slag – dat nog het meeste lijkt op de oude Leithund. Vervolgens een ‘mittelschwerer Schlag’ – een middelzwaar slag – dat het product is van een Leithund x Laufhund, en een derde type, dat ontstaat tussen 1815 en 1820 als een oud type Leithund wordt gekruist met een lichte, rode ‘Hannoversche Heidebrack’.

Vanaf 1884 ontstaat uit deze mengeling van types de huidige Hannoveraanse Zweethond, die – de naam zegt het al – vooral aanwezig is rond Hannover en Braunschweig.

Tekst: Ria Hörter | Foto: Alice van Kempen

Deel bericht

Share on facebook
Share on print
Share on email