hond eten

Vertering begint in de mond

Wanneer een hond voedsel opneemt verteert dat in het verteringssysteem dat bestaat uit de mond, keel, maag, dunne- en dikke darm. Onder vertering verstaan we de afbraak van voedsel tot zulke kleine deeltjes dat deze deeltjes de darmwand kunnen passeren. Welke processen vinden in de mond, keel en maag plaats?

De mond
Voedsel kan bestaan uit kleine stukken zoals brokken en gemalen vlees maar ook uit grotere delen zoals stukken vlees die wel of niet vast zitten aan botten. Brokken en gemalen vlees worden gemakkelijk opgenomen via de mond waarna ze via de keel in de maag terecht komen. Wanneer een hond een stuk vlees – al of niet aan een stuk bot – krijgt, moet hij zijn gebit gebruiken op zo’n manier waarvoor het gebit van oorsprong is bedoeld. Zijn 12 snijtanden (3 in elke kaakhelft) worden gebruikt om het vlees te snijden, te scheuren en te schrapen. Achter de snijtanden zitten 4 hoektanden (1 in elke kaakhelft) voor het vasthouden en doorboren van het vlees. Daarachter heeft elke kaakhelft 4 knipkiezen voor het vasthouden en verkleinen van het voedsel en in totaal 10 knobbelkiezen die het voedsel verder verkleinen.

Tijdens het kauwen wordt speeksel geproduceerd uit de vier speekselklieren. Deze zitten vlak onder de ogen en oren in de mondholte, in de onderkaak en onder de tong. Het soort voedsel en de hoeveelheid water heeft invloed op de hoeveelheid geproduceerd speeksel en op de samenstelling. Wanneer een hond lekker voedsel ziet en ruikt wordt er, net zoals bij de mens, meer speeksel geproduceerd. Het speeksel bevat naast water ook kleine hoeveelheden calcium, chloor, kalium en natrium, bicarbonaat. Dit mengsel van stoffen zorgt voor de juiste licht neutrale tot licht basische zuurgraad (pH 7,5). Net zoals bij vele andere diersoorten bevat hondenspeeksel geen enzymen (alfa amylase) om zetmeel af te breken. Zetmeel komt vaak in hondenbrokken voor en niet in vleesvoeders. De speekselklieren worden ook gebruikt om af te koelen. Wanneer een hond het warm heeft, gaat hij hijgen waardoor er meer speeksel wordt geproduceerd en waarmee de lichaamswarmte wordt afgevoerd.

Honden hebben minder smaakpapillen dan mensen en proeven meer met hun neus. Er zijn smaakpapillen die reageren op bepaalde eiwitsoorten, hoewel dat bij een hond minder het geval is dan bij katten. Honden kunnen afhankelijk van de concentratie ook suiker proeven en ze zijn gevoelig voor de smaak van organische zuren. De smaakpapillen reageren niet erg sterk op zout, hetgeen betekent dat ze een behoorlijke hoeveelheid zout kunnen opnemen. De informatie verkregen van het voer via de smaakpapillen gaat naar de hersens waarna het voer op smaak wordt ingeschat en de hond het wel of niet opneemt.

De keel
Wanneer het voedsel ingeslikt wordt, komt het via de relatieve korte slokdarm binnen een paar seconden in de maag terecht. De slokdarm produceert een vloeistof zodat het voedsel gemakkelijker naar beneden gaat. In de keel worden geen voedingsstoffen toegevoegd aan het voedsel. Na het inslikken vinden er in de slokdarm peristaltische bewegingen plaats waardoor de kringspier aan het einde van de slokdarm geopend wordt en het voedsel in de maag terecht komt. In principe voorkomt de kringspier dat voedsel vanuit de maag in de slokdarm en in de keel terecht komt tenzij de hond gaat overgeven.

De maag
De maag heeft verschillende functies. Het is een reservoir van opgenomen voedsel. De eiwit- en vetvertering begint reeds in de maag en de maag zorgt ervoor dat het voedsel geleidelijk afgevoerd wordt naar de dunne darm. De maagwand is elastisch waardoor er relatief grote hoeveelheden voedsel kunnen worden opgenomen. Dit is vergelijkbaar bij wolven, de voorvaders van honden: een wolf kan ongeveer 22% van zijn lichaamsgewicht opnemen.

De maagwand produceert slijm, zoutzuur en proteasen (pepsinogeen). Pepsinogeen wordt onder invloed van zoutzuur omgezet tot pepsine en dat zorgt ervoor dat eiwitten opgedeeld worden in kleinere delen, de aminozuren. De maagwand zelf bestaat ook uit eiwit maar wordt niet afgebroken door pepsine mede omdat de maagwand beschermd wordt door een continue stroom vocht uit de maagwand. De maag produceert ook lipase, het enzym dat vet afbreekt. De pancreas produceert ook lipase. De hoeveelheid geproduceerde lipase in de maag is echter gering in verhouding tot de hoeveelheid die de pancreas produceert. Wanneer de pH lager is dan 1,5 of hoger dan 7,0 werkt dit enzym niet meer.

De zuurtegraad (pH) hangt af van het soort voedsel en de buffercapaciteit van het gegeten voedsel. Bij vleesmaaltijden is deze lager (pH 2 en lager). De hoeveelheid slijm, zoutzuur, proteasen en lipasen wordt bepaald door het hormoon gastrine wat geproduceerd wordt en het soort en hoeveelheid voedsel in de maag. Cirkelvormige spieren zorgen ervoor dat de maag regelmatig samentrekt waardoor het aanwezig voedsel gemengd en gekneed wordt. Wanneer het voedsel geleidelijk aan in de darmen terecht komt, zorgt de aanwezigheid van vet ervoor dat een hormoon (enterogastrine) wordt geactiveerd waardoor de zoutzuur productie stopt.

In de maag bevinden zich bacteriën. Het aantal hangt af van het gegeten voer en van omgevingsfactoren. Het zijn meestal verschillende soorten melkzuurbacteriën die de zure omgeving van de maag kunnen overleven. De meeste met het voedsel opgenomen bacteriën overleven de zure omstandigheden niet, maar sommige ongewenste bacteriën zoals Salmonella, Methicilline Resistente Staphylococcus Aureus (MRSA) en Escherichia coli (E.coli) kunnen de zure omgeving wel overleven waardoor honden uiteindelijk ziek kunnen worden. Wanneer het voedsel voldoende gemengd, verkleind en afgebroken is komt het in de dunne darm terecht.

Samengevat kan gezegd worden dat na het opnemen, verkleinen en inslikken van het voedsel, het terecht komt in een ‘grote kookpan’, de maag, waarin het ‘voorgekookt’ wordt met behulp van onder andere enzymen en zoutzuur, voordat de verdere afbraak en opname van voedseldeeltjes plaatsvindt in de darmen.

Onze hond
Regelmatig heb ik gezien dat onze hond grote stukken vlees of soms ook brokken schrokkend opat zonder te kauwen waardoor het direct in de maag terecht kwam. Binnen een paar minuten lag het er dan weer uit. Door het overslaan van de activiteit in de mond, dus geen toevoeging van speeksel, kwam het te snel en in te grote hoeveelheid in te korte tijd in de maag terecht waardoor de maag het zo snel niet kon verwerken en het eruit gegooid werd. Dat uitgegooide voedsel ruikt zurig, is omgeven met slijm en … wordt binnen korte tijd weer opgegeten. Het ziet er niet smakelijk uit, maar is het daadwerkelijk vies voor onze hond?

Tekst: Joeke Nijboer. | Foto: Shutterstock

Deel bericht

Share on facebook
Share on print
Share on email