Markeren van honden

Markeren

De theorie dat reuen, en soms ook teven, hun poot optillen en ergens tegenaan plassen om daarmee andere honden duidelijk te maken dat zij zijn territorium betreden is de oudste ethologische verklaring voor een gedrag waarvan we maar weinig afweten.

Deze theorie ontstond tussen de twee wereldoorlogen: een tijd dat men zich – net als in de halve eeuw daarvoor – sterk bezighield met landsgrenzen en het claimen van territoria. De uitdrukking ‘geurvlaggen zetten’, ontleend aan de nationalistische gewoonte om een vlag neer te zetten op plaatsen die men als de zijne wilde claimen – de bekendste is de Amerikaanse vlag op de maan – geeft duidelijk aan uit welk gedachtegoed deze theorie stamt.

Reuen en snuffelen

Aangezien reuen, maar ook teven, hun ‘geurvlaggen’ niet bleken te beperken tot de ‘landsgrenzen’ maar ook zomaar iets na lang snuffelen met hun plasje besproeiden werd vanuit de – uit diezelfde tijd stammende – dominantietheorie gesteld dat de honden hiermee te kennen gaven dat iets ‘van hen was’ en dat anderen er van af moesten blijven. Een hond die markeerde was met andere woorden dominant.

De geurboodschap van de hond

De meeste wetenschappers verwerpen tegenwoordig dergelijke opvattingen. Recente theorieën gaan er wel van uit dat de hond – via de feromonen in zijn urine – een geurboodschap uitdraagt, maar passen ervoor om uitspraken te doen over wat voor boodschap dit precies is en voor wie deze is bestemd. Daar kunnen we slechts naar raden.

Je kunt je daarbij ook afvragen of de boodschap van de hond wel voor anderen bestemd is. Zo is een gangbare wetenschappelijke verklaring voor het sproeigedrag bij katers, dat zij hiermee plekken voor zichzélf markeren als een soort waarschuwingsbelletje: let op of pas op, hier is iets aan de hand. Als je die visie toepast op honden, zou het plasje van de loopse teef misschien kunnen betekenen: let op – of pas op – hier komt altijd een leuke (of vervelende) reu, in plaats van: reuen opgelet, ik ben loops, zoals meestal wordt aangenomen.

Oversprong theorie van Tinbergen

Een andere verklaring gaat terug op de rond 1950 door de etholoog Tinbergen ontwikkelde (en betwiste) oversprong-theorie. Tinbergen zag dat dieren soms ineens gedrag vertoonden dat niet in relatie tot de context leek te staan. Hij veronderstelde dat er op dat moment een soort patstelling tussen twee verschillende ‘gedragssystemen’ – die niet samengingen – was ontstaan, waardoor het dier iets heel anders ging doen om hieruit te komen. Dus als een hond om onduidelijke redenen ging markeren, werd daar – in navolging van Tinbergen – het etiket ‘oversprong’ op geplakt. In parallelle, meer recente interpretaties gaat men ervanuit dat de hond in deze gevallen niet emotioneel met de situatie om kan gaan en bij dit plotseling optredende gedrag dus negatieve ‘stress’ ervaart.

Recent hersenonderzoek laat zien dat het brein een soort niet-functionele ‘bijgedragingen’ (adjunctive behaviors) genereert, wanneer het SEEKING hersensysteem (dat ervoor probeert te zorgen dat er aan een bepaalde interne fysiologische of psychologische behoefte van een dier wordt voldaan) overprikkeld is. Waarom deze ‘bijgedragingen’ ontstaan en of er een relatie is met ‘stress’ is onduidelijk.

Tekst: Elian Hattinga van ’t Sant. Foto: Shutterstock

 

Deel bericht

Share on facebook
Share on print
Share on email