shutterstock_1244603191

Historisch portret: De Hovawart

In oude geschriften, documenten en boeken of op prenten en schilderijen is de geschiedenis van honden vastgelegd. En ook het werk dat ze doen. Meegaan op jacht, het drijven en hoeden van een kudde, het bewaken van huis en haard en het gezelschap houden van de mens. Elke maand gunt ONZE HOND de lezer een inkijkje in de rijke historie van een rashond. Deze maand: de Hovawart.

Een jong ras  met een oude naam

1922 kan worden gezien als het geboortejaar van de Hovawart. In dat jaar laat de Duitser Kurt Friedrich König (1896-1975) het eerste Hovawart nest, geboren op 3 april, in het stamboek van de Hovawart-Verein für deutsche Schäferhunde in Thale/Harz inschrijven. Hunolf, Helma, Hummel en Herma gaan daarmee de geschiedenis in als de eerste van hun ras. In de jaren voor de Eerste Wereldoorlog houdt König zich al bezig met wat later de Hovawart zal worden genoemd. Pas na de Tweede Wereldoorlog krijgt het ras echt voet aan de grond. En, schrijft Dr. Hans Räber in zijn Enzyklopädie der Rassehunde, … was zwischen den beiden Kriegen geschah, das war eine mehr oder weniger ziellose Vermehrung von Hunden, die den angestrebten Zuchtziel entsprachten.

Die ‘ziellose Vermehrung’ is echter wel de basis waarop fokkers na de Eerste Wereldoorlog kunnen voortborduren en waaruit het latere ras is ontstaan.Historici lijken het eens te zijn over de oeroude naam, die voor het eerst wordt gebruikt in de Schwabenspiegel, een Zuidduits wetboek voor de niet-Saksische gebieden van het Heilige Roomse Rijk, dat in 962 wordt gesticht door keizer Otto I. De Schwabenspiegel is vooral een boek over het middeleeuwse land- en leenrecht. De naam Hovawart – Hofewart – wordt in een van de latere edities – uit de dertiende eeuw – gebruikt. Daarin staat: Ein Hunt heizet ein hovewart, der einen Man sîns hûse, unde sîns hoves huotet naht unde tac, stilt den ein man, do diu sunne under gêt, der sol im als guoten geben als jeder was und drî schilligen dar zuo, und er hat doch diu diupheit begangen, stilt er in bîschônem tage, sô gebe er im als guoten und ein Schillinch. Hetgeen zoveel zeggen wil als: wanneer men in de nacht een hond heeft gestolen, dan volgt een boete van drie schilling. Voor een overdag gestolen hond is dat één schilling.

Smeltkroes

In de middeleeuwse Duitse literatuur duikt het woord hovewart regelmatig op, als verzamelnaam voor honden die erf en huis bewaken. Net zoals er windhonden en jachthonden zijn, zijn er ook hove-warts. Als Albrecht Dürer in 1513 zijn beroemde kopergravure Ritter, Tod und Teufel maakt, is daarop ook een hond te zien. Langharig en met hangende oren. De eerste fokkers van de latere Hovawart baseren hier min of meer hun type hond op. Aan fokmateriaal ontbreekt het hen niet; er zijn genoeg grote en middelgrote (boeren)honden om mee te fokken. Hoewel Kurt König in de meeste artikelen over de Hovawart als grondlegger van het ras wordt genoemd, is het zijn vader Bertram König (andere bronnen: August König) die zich al voor de Eerste Wereldoorlog bezighoudt met de Hovawart, die hij Germanische Altkulturhund noemt. Een hond uit Bertrams (c.q. Augusts) fokkerij – zo luidt het verhaal – wordt tussen 1908 en 1910 gezien door de kundige Zwitserse kynoloog Albert Heim (1849-1937). Heim is dé autoriteit op het gebied van Zwitserse Sennenhonden en hij beschrijft deze hond als Berner Sennenhond. Een uitspraak uit Heims mond betekent dat de Sennenhonden en de Hovawart afkomstig moeten zijn uit dezelfde smeltkroes van relatief grote, langha-rige midden-Europese boerenhofhonden.

Lees het hele artikel in Onze Hond nr. 3.

Deel bericht

Share on facebook
Share on print
Share on email
Bekijk ook