Schermafbeelding 2019-10-30 om 10.49.56

Competitieve agressie bij reuen

Alweer deel 5 in de reeks over agressie. Agressie laat zich, o.a. door inzichten van Panksepp, een beter verklaren vanuit de emotionele systemen. De afgelopen maanden kwamen onder andere prooiagressie, angstagressie en agressie uit frustra-tie aan bod, deze keer de competitieve agressie tussen reuen.

 

Aan de top?

Het is een probleem voor menig reueneige-naar: knokpartijen tussen reuen onderling. Het is een vorm van agressie die vroeger – en vaak nog steeds – werd aangeduid met ‘dominante agressie’ waarbij de agressor ervan verdacht werd een trapje in de rang-orde te willen stijgen of zijn hoge plek in de rangorde veilig te willen stellen. Die hoge plek was belangrijk, zo leerde men, omdat bij de wolven alleen het ‘alfapaar’ zich voort-plantte. Dus wilde iedere wolf aan de top komen. En honden werden geacht zich hetzelfde te gedragen. Nu valt er bij wolven al het nodige af te dingen op deze rangor-detheorie die stamt uit de eerste helft van de vorige eeuw; voor honden geldt dat helemaal. In tegenstelling tot de doorgaans in familieverband levende monogame wolven, zijn honden promiscue: ze zijn niet kieskeurig in hun partnerkeuze, al kiezen ze liever een vriendelijke, verdraagzame partner dan een agressieve. Bovendien maken reuen voortdurend genoeg zaadcellen aan om op ieder willekeurig moment van het jaar te kunnen paren. Wolven doen dit alleen tijdens de paartijd, eenmaal per jaar. Dit betekent dat bij honden – in tegenstel-ling tot bij wolven – de reuen het hele jaar door gemotiveerd zijn om te paren. Dit maakt ook dat competitie over (vermeende) loopse teven veel frequenter voorkomt dan bij wolven, waar deze beperkt is tot een korte periode in de winter. Hoe gemotiveerd een hond is om te vechten met een andere reu om een leuk teefje, kan per hond verschillen en wordt gereguleerd door – wat neuropsycholoog Jaak Panksepp noemt – zijn LUST-hersensysteem.

 

LUST-systeem

De kern van het LUST-systeem ligt bij alle zoogdieren in de hypothalamus. Maar binnen deze hersenstruc-tuur bestaan er verschillen, niet alleen tussen zoogdiersoorten, maar ook tussen mannelijke en vrouwe-lijke dieren van dezelfde soort. Het meeste onderzoek hiernaar is gedaan bij knaagdieren, zoals ratten en hamsters. Bij mannelijke dieren ligt het epicentrum van het LUST-systeem in het preoptische gebied (POA) van de hypothalamus, bij vrouwelijke dieren in de ventromediale hypothalamus (VMH). Hoewel zowel mannelijke als vrouwelijke dieren de geslachtshormonen testosteron en oestrogeen produceren, bevinden zich bij mannelijke dieren in de hypothalamus (vooral in de POA) beduidend meer receptoren voor testosteron, dan bij vrouwelijke dieren. Testosteron heeft bij mannelijke dieren dan ook een veel groter effect op hun gedrag dan bij vrouwelijke dieren.

 

Niet de oorzaak

In het verleden werd testosteron vrijwel onveranderlijk gekoppeld aan fysieke agressie van mannelijke dieren (en mensen) bij sociale interacties. Testosteron faciliteert namelijk de aanmaak van vasopressine, een neuropeptide dat seksueel en agressief gedrag bij mannelijke dieren bevordert. Mannelijke dieren met veel testosteron zouden sneller over gaan tot agressie dan andere. Recent onderzoek bij dieren en mensen toont aan dat het allemaal niet zo simpel ligt. Er is wel een verband tussen testosteron en agressie, maar testosteron is niet de oorzaak ervan.

 

Testosteronspiegel

Sommige – mannelijke én vrouwelijke – dieren hebben een hogere basale testosteronspiegel dan hun seksegenoten. Hieraan kunnen (epi)genetische verschillen ten grondslag liggen, maar ook blootstelling aan testosteron tijdens de dracht wordt daar wel verantwoordelijk voor gehouden. Eenduidige bewijzen voor dit laatste zijn er echter niet; het is bovendien lastig te onderzoeken. Het testosterongehalte kan echter ook een voetbalwedstrijd een hoger testosterongehalte dan de verliezers en kan het zien van jezelf op video terwijl je aan het winnen was, zorgen dat testosteron 40% stijgt. Tegelijk verandert het hoge testosterongehalte ook het sociale gedrag. Zelfvertrouwen, alertheid en wantrouwen nemen erdoor toe. De sociale empathische gevoeligheid neemt er daarentegen door af: boze gezichten en weerstand hebben daardoor minder impact. Testosteron zorgt er dus voor dat een mens of dier zich in een competitieve situatie beter staande kan houden.

 

Frustratie

Wanneer testosteron op de receptoren in de hersenen bindt, ontstaat een uiterst prettig gevoel waardoor het ook een sterk leereffect heeft. Zo werd aangetoond bij mannelijke ratten die testosteron in de POA kregen ingespoten, dat zij de situatie en de omgeving waarbij dit prettige gevoel ontstond, steeds weer uit zichzelf opzoeken. Door de ontstane verwachtingen en anticipatie op iets prettigs, kan echter het blokkeren competitieve instelling. Bovendien kan er, wanneer de reu veelvuldig succes heeft gehad met agressie een gewoontepatroon zijn ontstaan dat moeilijk te keren is. Een ander probleem is dat castratie de testosteronproductie niet stopzet: de bijnieren blijven dit produceren. Gecastreerde reuen houden dan ook even goed nog lustgevoelens bij het ruiken van een loopse teef; alleen kunnen zij hun erectie niet meer in stand houden. Dat werkt op veel reuen ontmoedigend, maar zeer gemotiveerde reuen kunnen nog steeds een goed gevoel krijgen als ze op lekker ruikende teven rijden en kunnen even-goed gefrustreerd en boos worden als ze daarin belemmerd worden. Een vermindering van het testosterongehalte door castratie kan daarentegen zorgen voor een (welzijns)probleem van een heel andere orde: het zelfvertrouwen van de reu neemt af en hij kan hierdoor angstiger worden. Omdat gecastreerde reuen, wellicht door hun lage testosteronproductie, vaak op een vervelende manier lastiggevallen worden door intacte reuen, kan er zelfs ten gevolge van de castratie een angst-gerelateerd agressieprobleem ontstaan.

 

Preventie

Vanuit de kennis die er nu is over testosteron, is het vroeger vanuit de dominantietheorie gegeven advies om honden van alles zelf te laten regelen en zelfs uit te laten vechten het slechts denkbare. Om te voorkomen dat reuen die er al in de pubertijd blijk van geven erg geïnteresseerd te zijn in teven zich ontwikkelen tot vechtersbazen, moet de opvoeding en begeleiding van de hond gericht zijn op preventie. Reuen die onder de staart of buik van een teef duiken, deze achterna rennen en proberen hun poten op de rug van de teef te leggen, zijn niet leuk aan het spelen zoals veel reueneigenaren lijken te denken, maar zijn bezig te verkennen of ze kunnen rijden. Veel teven snauwen niet van zich af maar proberen door te draaien of te rennen aan hun belager te ontkomen. Het is belangrijk om de reu in dat geval te stoppen door hem – even – aan te lijnen en mee te nemen, zodat hij hiermee geen succes heeft.Door een reu tijdens het uitlaten, met behulp van spel en beloning, te leren om door te lopen, zodat hij niet eindeloos kan snuffelen, plasjes oplikt en bij alles zijn poot optilt, voorkom je dat testosteron steeds gaat pieken. En uiteraard is het verstandig om onmiddellijk in te grijpen en op een leuke manier af te breken als een reu erg fanatiek competitief wordt naar reuen. Iedere winnaarservaring is er dan door het plezierige testosteronshotje een te veel. Denken dat een reu het vechten wel af zal leren als hij verliest is ook een illusie: het zorgt voor een heel scala aan negatieve emoties, zoals angst en frustratie, die weer tot andere vormen van agressie kunnen leiden.

Deel bericht

Share on facebook
Share on print
Share on email